Ga naar inhoud
Veldwerk

Een dag mee met ATKB: het net bepaalt wat je ziet

Wetterskip Fryslân verwees ons door naar ATKB, en ATKB nam ons een dag mee de polder in bij het Sneekermeer. Wat we meenamen ging niet over vis, maar over hoe er gemeten wordt. Één opmerking tussendoor haalde een aanname onderuit die in ons eigen maatmodel zit.

Een zegen wordt in een wijde boog door een poldersloot getrokken, met weiland en een lage grijze lucht erachter.
Polderwater bij het Sneekermeer, 18 augustus 2026. De zegen ligt in een boog. Wat daarbinnen blijft is de helft van het verhaal; de rietkant komt daarna elektrisch aan de beurt.

Op 18 augustus 2026 stonden we in de polders rond het Sneekermeer met een zegen in het water. Kleine wateren, smalle sloten, weiland tot aan de horizon. We gingen mee om te zien hoe de meting zelf de data kleurt. Dat werd het ook. En één opmerking tussendoor haalde een aanname onderuit die gewoon in ons eigen model zit.

Hoe we daar terechtkwamen

We hadden Wetterskip Fryslân benaderd met een vraag over visdata. Zij verwezen ons door naar ATKB. ATKB brengt sinds 1996 de visstand in Nederland in kaart, in opdracht van waterschappen en voor de Kaderrichtlijn Water. Op de vraag of we een keer mee mochten kijken, was het antwoord ja.

Een witte bestelbus met het logo van Wetterskip Fryslân staat in het weiland naast een poldersloot, met een boottrailer erachter.
De ploeg arriveert. Het waterschap geeft de opdracht, ATKB doet het veldwerk, en de cijfers die eruit komen belanden uiteindelijk in de bestanden waar wij mee werken.

Dat is voor ons meer dan een leuke dag geweest. Wij werken de hele dag met bestanden die uít dit werk voortkomen. Een keer zien hoe die bestanden ontstaan, verandert hoe je ernaar kijkt.

Hetzelfde water, ander tuig, andere uitkomst

Een zegen staat als een wand in het water: drijvers boven, lood onder, en dan naar de oever toe halen. Wat eronderdoor gaat of eromheen zwemt, zit niet in het net. Op dezelfde plek worden verschillende methoden ingezet, en die geven dan ook niet hetzelfde antwoord. Karper is met een zegen in de zomer lastig te vangen en in de winter een stuk makkelijker. Paling laat zich met een zegen sowieso moeilijk vangen; die gaat er onderdoor of glijdt weg.

Voor ons betekent dat iets ongemakkelijks. Als een soort ontbreekt in de surveydata, staat daarmee niet vast dat hij er niet zat. Het kan net zo goed het tuig zijn geweest. En die blinde vlek is per soort anders, dus je kunt er niet één correctie overheen leggen. ATKB weet dat en corrigeert ervoor; daar komen we zo op. Maar die correctie reist niet mee in de kopie van de gegevens die wij binnenkrijgen.

De tweede methode van die dag was elektrisch vissen, vanuit de boot. Die vaart langzaam langs de rietkant; een ring aan een steel zet kortstondig stroom door het water, vis in de buurt raakt even verdoofd en wordt meteen opgeschept. Het bereik is klein, hooguit een paar meter rond de ring, dus je vist eigenlijk de rand van het water af. Daarmee zie je andere vis dan met een zegen die de hele breedte afsluit. Precies daarom gaan die twee op dezelfde plek achter elkaar: na de zegentrek zijn de oevers van hetzelfde traject nog elektrisch bevist. De zegen sluit de breedte af, het elektrisch schepnet doet de rand die de zegen niet pakt. Wat wij die dag zagen was dus geen zegenmeting, maar twee tuigen over hetzelfde stuk water.

Elektrisch vissen vanuit de boot, gefilmd over de boeg terwijl we langs de rietkant varen. De ring aan de gele steel zet de stroom in het water en het net gaat er direct achteraan. Let op het eind van het fragment, daar komt een snoek boven. Vier seconden, zonder geluid.
Een zeelt wordt op een meetplank met ATKB-opdruk gelegd boven een tobbe met water. Alleen handen en waadpak zijn zichtbaar.
Een zeelt op de meetplank. Elke vis die wél in het net belandt wordt gemeten, en die lengtes zijn later de enige harde grond onder uitspraken over groei en jaarklassen.

Hoe ATKB die vertekening ondervangt

Koen Simons van ATKB las dit stuk na publicatie en stuurde ons de achtergrond die er nog onder hoorde. Dat sommige soorten zich makkelijker of moeilijker laten vangen is bij ATKB bekend, en er wordt voor gecorrigeerd. Per vangtuig gelden rendementsfactoren: proefondervindelijk vastgestelde en inmiddels vastgelegde getallen voor welk deel van de aanwezige vis een tuig daadwerkelijk boven water haalt. Daarbovenop schrijft het protocol voor hoeveel oppervlakte er in een water minimaal bemonsterd moet worden, en dat die oppervlakte naar rato verdeeld wordt over de habitats die er zijn. Volgens Koen mag je er daarmee van uitgaan dat alle soorten worden aangetroffen, tenzij ze echt in heel lage aantallen voorkomen.

Die richtlijnen liggen vast in het Handboek Hydrobiologie. Voor het water waar wij bij waren komt dat neer op:

  • minimaal 7,5% van de totale lengte van alle watergangen van het waterlichaam — lengte en oppervlakte komen hier op hetzelfde neer;
  • watergangen tot 8 meter breed: uitsluitend elektrisch bemonsterd;
  • watergangen tussen 8 en 25 meter: zegen- én elektrovisserij;

Wat dat voor ons betekent is subtieler dan we eerst dachten. Het vangtuig staat wél in de gegevens die bij ons binnenkomen — “Zegen”, “Elektrisch schepnet”, “Zegen met keernetten” zijn gewoon waarden in onze kolommen. Het beviste oppervlak en de rendementsfactor staan er niet bij. Die correctie zit in het rapport van ATKB, niet in het losse waarnemingsrecord dat wij via GBIF binnenkrijgen. Onze voorzichtigheid geldt dus onze eigen datastroom, niet hun meting.

Waarom er in de zomer gemeten wordt

Vis kruipt in de winter bij elkaar en verspreidt zich in de zomer. Dat is één van de redenen om in de zomer te bemonsteren: als de vis verspreid zit, zegt een steekproef meer over het hele water. Klontert hij samen, dan vang je of heel veel of bijna niets, afhankelijk van of je toevallig op de goede plek staat.

De aanname die onderuitging

Onze maatmodellen werken met “groter dan gemiddeld voor dit water”. Aan de waterkant werd duidelijk waarom dat wringt. Zit een water vol kleine vis, dan drukt die massa het gemiddelde omlaag en maakt ze de echte kanjers tegelijk minder bijzonder in de statistiek. Een water met weinig maar gelijkmatige vis kan er dan juist goed uitzien.

Wat wij “groot” noemen hangt dus af van de lengteopbouw van de hele populatie, niet alleen van de vraag of er grote vis zit. Dat is niet hetzelfde, en wij behandelden het wel zo. We gaan dat doel opnieuw bekijken; wat ervoor in de plaats komt weten we nog niet.

Wat er verder in het water staat

Een dicht onderwaterbos van fonteinkruid vlak onder het wateroppervlak, met wat kroos en gele blaadjes erboven.
Fonteinkruid vlak onder de oppervlakte. Voor ons is dit geen decor: het is één van ruim negenhonderd organismegroepen die we bijhouden, en die staat in ruim een derde van onze rastercellen.

Dit soort structuur is ook waar ons satellietwerk naar zoekt: rietkant, bomenrij, ondergedoken waterplanten. Ter plekke zie je in één oogopslag wat wij uit beeld proberen af te leiden, en dat scheelt nogal.

Een rechte poldersloot met rietkraag, een bomenrij aan de overkant en koeien in het weiland.
Het soort water waar het hier over gaat. Smal, ondiep, met een rietkant en een bomenrij: geen groot meer, maar wel het water waar heel veel Nederlandse vis in zit.

Wat we ermee gaan doen

Één idee namen we mee terug. Heb je voor dezelfde plek zowel surveyvangsten als hengelvangsten, dan kun je per soort narekenen welk tuig hem stelselmatig mist. Rendementsfactoren bestaan al, dus dat wiel hoeven we niet opnieuw uit te vinden; wat dit oplevert is een tweede, onafhankelijke schatting uit een heel andere hoek, waarmee we de gaten in onze eigen kopie van de surveydata in elk geval kunnen inschatten.

Dezelfde combinatie laat nog iets zien. Plekken met veel surveywaarnemingen en weinig hengelvangsten zijn kandidaten voor onderbevist water: er zit vis, maar er komt bijna niemand. Voor beide ideeën hebben we die twee bronnen naast elkaar nodig, en daar vragen we op dit moment toestemming voor.

Eerlijk over hoe dit tot stand kwam: we hadden een lijst met vragen voorbereid en die vergeten mee te nemen. Alles hierboven kwam gewoon ter sprake tijdens het werk. De sectie over het protocol kwam er later bij, nadat ATKB het gepubliceerde artikel had gelezen. Het is dus geen systematisch interview en we presenteren het niet als onderzoek, maar als wat we opstaken op één dag. In de eerste sloot sprong trouwens een snoek uit zichzelf aan boord.

Met dank aan Koen Simons en Matthijs Koole van ATKB voor de dag en de uitleg, en aan Wouter Patberg van Wetterskip Fryslân voor de doorverwijzing.

Bijgewerkt: 19 september 2026

Terug naar Het Lab