De winde is een stevige, zilveren karperachtige van de grote rivieren en de wateren die daarmee in verbinding staan. Winde vissen doe je met de dobber, met de feeder, met brood aan het wateroppervlak of met de vliegenhengel. Op deze pagina lees je hoe je een winde herkent en hoe hij verschilt van de blankvoorn en de kopvoorn. Je leest ook waar en wanneer je hem vangt en hoe ver hij trekt. Verder gaat het over de regels en over hoe groot hij kan worden.
Herkenning
De kop van een winde, van dichtbijEen winde herken je aan zijn kleine kop met een stompe snuit. De bek zit vooraan de kop en staat iets schuin omhoog (Kennisdocument winde). Hij is kleiner dan de bek van een roofblei, en er zit geen kuiltje in de bovenkaak (RAVON). Het lijf is van opzij afgeplat, met een hoge rug en zilveren flanken (Kennisdocument winde; RAVON). De schubben zijn klein. Langs de zijlijn, de lijn over het midden van de flank, liggen er 55 tot 61 (RAVON).
Jonge windes zijn zilverkleurig, oudere windes bronskleurig (Sportvisunie). Oudere vissen worden vaak donker grijs- tot groenbruin (RAVON). De borstvinnen, de buikvinnen en de aarsvin zijn rood. De rugvin is grijs. Het oog is klein en geel (Kennisdocument winde).
Kijk ook naar de aarsvin: de vin aan de onderkant, tussen de buikvinnen en de staart. De rand daarvan is recht tot hol, maar nooit bol (RAVON; Kennisdocument winde). En de rugvin begint achter het begin van de buikvinnen (RAVON). Hoe je een winde onderscheidt van vissen die op hem lijken, lees je bij winde, blankvoorn of kopvoorn.
In de paaitijd, als de vissen zich voortplanten, zijn de kleuren feller, vooral bij de mannetjes. De flanken worden dan kopergeel. De mannetjes krijgen dan ook kleine witte knobbeltjes op hun kop, kieuwdeksels, rug, flanken en borstvinnen. Die voelen aan als schuurpapier (Kennisdocument winde).
Waar komt de naam vandaan?
Dat weet niemand zeker. Een bron uit 1897 legde een verband met de wind. Volgens die bron noemden vissers de winde ook noordewind, omdat ze hem 'alleen bij schraal weer' vingen: bij koud en droog weer. Volgens het woordenboek kan dat verhaal ook later zijn bedacht, omdat de naam op 'wind' lijkt. De naam kan ook komen van het werkwoord winden, dat draaien of kronkelen betekent. Dat zou passen bij het lange lijf van de vis (Woordenboek der Nederlandsche Taal). Het woord is oud. Het oudste voorbeeld in het Woordenboek der Nederlandsche Taal komt uit een boek van 1582. Daarin staan 'winden' tussen de witvissen (Woordenboek der Nederlandsche Taal).
Winde is ook de naam van een plant. Haagwinde en akkerwinde zijn klimplanten die om andere planten heen groeien. Hun naam komt wel van winden (Woordenboek der Nederlandsche Taal). Deze pagina gaat over de vis.
In Nederland heeft de winde ook volksnamen, zoals braadvis, hardkop, wenj (in Limburg), wijnd en windvoorn. Ten noorden van de grote rivieren heet hij vaak meun (Kennisdocument winde). In het Engels heet hij ide of orfe, in het Duits Aland, Nerfling of Orfe (FishBase).
Hoe groot wordt een winde?
Volgens RAVON kan een winde 70 centimeter lang worden, maar wordt hij meestal niet groter dan 60 centimeter (RAVON). Sportvisserij Nederland schreef in 2006 een kennisdocument over de winde: een overzicht van wat er over deze vis bekend is. Dat document en de Sportvisunie noemen zo'n 80 centimeter als grootste lengte (Kennisdocument winde; Sportvisunie). In de eerste drie jaar groeit hij snel: 7 tot 8,5 centimeter per jaar. Daarna gaat het langzamer, en vanaf zijn tiende jaar groeit hij nog maar 1 tot 2 centimeter per jaar. Na zes jaar kan een winde 30 centimeter lang zijn (Kennisdocument winde).
Een winde kan ook oud worden. Het Kennisdocument winde uit 2006 noemt 15 tot 20 jaar als grootste leeftijd. Toch meldt het ook een Finse winde van 28 jaar (Kennisdocument winde). Estse onderzoekers telden de jaarringen in de gehoorsteentjes van windes uit de Oostzee. Twee van die vissen waren 29 jaar oud. Vroeger telde men de ringen op de schubben. Zo schat je de leeftijd van oude vissen vaak te laag (Rohtla e.a. 2015).
Bij visstandonderzoek tellen en meten onderzoekers de vissen in een water. Zo hebben ze ruim 7.900 windes gemeten. Van de ruim 2.200 windes van 20 centimeter of langer was de middelste 29 centimeter. Ongeveer 1 op de 4 daarvan was 40 centimeter of langer. Ongeveer 1 op de 16 haalde de 50 centimeter. Vijf waren langer dan het Nederlands record. Of dat zuivere windes waren, weten we niet. Lees daarover bij de records.
Winde, blankvoorn of kopvoorn?
Een blankvoorn, om te vergelijkenVooral jonge windes verwar je makkelijk met andere karperachtigen (RAVON). Blankvoorn, ruisvoorn en kopvoorn hebben duidelijk grotere schubben (Kennisdocument winde). Kijk daarom eerst naar de schubben, en daarna naar de bek en de aarsvin.
- Blankvoorn. Langs de zijlijn liggen 39 tot 48 schubben, bij de winde 55 tot 61 (RAVON). De rugvin begint recht boven het begin van de buikvinnen. Bij de winde begint hij erachter (RAVON). Een volwassen blankvoorn heeft meestal een oranjerood oog (RAVON; FishBase). Bij een jonge blankvoorn is het oog nog geel (FishBase), net als bij de winde. Bij kleine vissen helpt het oog je dus niet.
- Kopvoorn. De rand van de aarsvin is bolrond. Bij de winde is die recht tot hol (RAVON). De kopvoorn heeft een brede, platte kop (Kennisdocument winde), en grote schubben met een donkere rand. Zo zie je een netpatroon op de flanken (RAVON). Langs de zijlijn liggen er maar 44 tot 46 (Sportvisunie). Ook de naam meun zorgt voor verwarring: mensen noemen beide vissen zo (Kennisdocument winde).
- Ruisvoorn (ook rietvoorn). De bek staat omhoog en de vinnen zijn felrood (RAVON). Langs de zijlijn liggen 40 tot 45 schubben (Sportvisunie).
- Serpeling. De kleine bek zit iets onder de punt van de snuit. Ook de serpeling heeft een geelachtig oog en een holle aarsvin. Maar hij heeft 48 tot 51 schubben op de zijlijn (Sportvisunie). Hij wordt maar zo'n 30 centimeter lang (RAVON). Een serpeling moet het hele jaar terug (Uitvoeringsregeling visserij, artikel 5c).
- Sneep. Die herken je aan de vlezige neus en de bek onder de kop (RAVON). Ook een sneep moet het hele jaar terug (Uitvoeringsregeling visserij, artikel 5c).
- Roofblei. Een veel grotere bek, die doorloopt tot onder het oog (RAVON). De punt van de onderkaak valt in een kuiltje van de bovenkaak (RAVON). Meer over dit verschil lees je bij roofblei, winde of kopvoorn.
Kruisingen. Winde en roofblei kunnen samen jongen krijgen (risicoanalyse exoten). In 2023 schreef Sportvisserij Nederland dat dit waarschijnlijk de meest voorkomende kruising in onze grote wateren is. Eerst kwamen de meldingen vooral van de Maas, de Waal en de Gelderse IJssel. Steeds vaker vinden vissers en onderzoekers deze kruising ook in kanalen en in kleine rivieren, zoals de Kromme Rijn en de Linge. Zelfs in de Friese boezem, de kanalen en meren van Friesland, komt ze voor (Sportvisserij Nederland). Denk je dat je een kruising hebt gevangen? Tel dan de schubben op de zijlijn. Bij een kruising ligt dat aantal meestal tussen dat van de winde en de roofblei in. De roofblei heeft er 65 tot 74 (Sportvisserij Nederland). Ving je een winde van meer dan 60 centimeter? Lees dan bij de records wat de recordcommissie daarover zegt.
Leefwijze en paai
De winde eet bijna alles wat hij tegenkomt (Kennisdocument winde). Jonge windes eten eerst plankton: kleine diertjes die in het water zweven. Daarna eten ze insectenlarven, en vanaf zo'n 8 centimeter ook grotere larven en slakjes (Kennisdocument winde). Volgens RAVON eet de winde vooral dierlijk voedsel, zoals insectenlarven, slakken, mosselen en kleine vissen (RAVON). Slakken kraakt hij met de tanden in zijn keel. Ook pakt hij kleine dieren die op het water zijn gewaaid, zoals vliegen, spinnen, wespen, mieren en kevers (Kennisdocument winde). Opvallend is dat windes meer plantaardig voedsel lijken te eten naarmate ze groter worden (Kennisdocument winde). Hoeveel vis een grote winde eet, daarover verschillen de bronnen. Volgens FishBase eten grotere windes vooral vis (FishBase). Volgens de Sportvisunie eet de winde vooral insecten en kleine kreeftachtigen, en 'soms ook kleine witvis' (Sportvisunie).
In het Schildmeer in Groningen vond een onderzoeker ooit graankorrels en stukjes aardappel in de magen van windes. Dat was drie weken na de graanoogst (Kennisdocument winde).
In de warme maanden zwemt de winde vaak hoog in het water. Bij koud weer zoekt hij diepere waterlagen op. Hij houdt zich graag op bij overhangende bomen en struiken, in geulen tussen waterplanten en onder een stuw. Ook zit hij graag bij kribben: de dammen van stenen die de rivier in steken. Hij wordt wel beschreven als beweeglijk, schuw en wantrouwig (Kennisdocument winde).
De paai. In Nederland paait de winde meestal in maart en april, bij een watertemperatuur van 8 tot 10 graden (Kennisdocument winde). Volgens een zenderonderzoek in de Maas paait de winde meestal al in maart. Barbeel en kopvoorn paaien later, vooral in mei (IMARES 2006). Ze paaien in ondiep water dat zacht stroomt, boven zand, grind of waterplanten (Kennisdocument winde). Bij hoogwater paaien ze ook op ondergelopen graslanden in de uiterwaarden (RAVON). De uiterwaarden zijn het land tussen de rivier en de dijk. Meestal paait een vrouwtje met meerdere mannetjes (RAVON). Als de omstandigheden goed zijn, paaien ze overdag én 's nachts (Kennisdocument winde). De eitjes zinken naar de bodem en plakken aan planten, grind of stenen (RAVON). Na 6 tot 21 dagen komen ze uit, afhankelijk van de temperatuur. Wordt het water tijdens de paai weer kouder, dan stopt de paai, tot het water weer warm genoeg is (Kennisdocument winde).
Windes boven een ondergelopen uiterwaardDe jonge winde. Na het uitkomen blijven de larven eerst tussen de waterplanten hangen. Daarna zwemmen ze in dichte scholen bij de paaiplaats, samen met jonge blankvoorns (Kennisdocument winde). Jonge windes groeien op in ondiepe, langzaam stromende oeverzones. Hoe groter ze worden, hoe dieper ze gaan zwemmen (RAVON).
In de uiterwaarden van de grote rivieren noemen onderzoekers de winde de 'successoort' van de stroomminnende riviervissen. Hij gebruikt nieuwe wateren in de uiterwaarden optimaal. Jonge windes zitten vooral in meestromende nevengeulen en in strangen. Meestromende nevengeulen zijn geulen naast de rivier waar het rivierwater doorheen stroomt. Strangen zijn oude rivierarmen die aan één kant met de rivier verbonden zijn (Dorenbosch e.a. 2011). In 2009 hoorde de winde op alle onderzochte plekken langs de Waal bij de talrijkste vissen. In de nevengeulen bij Beneden-Leeuwen en Gameren was hij zelfs de talrijkste. Dat gold ook voor de kribvakken: het water tussen twee kribben. In 1998 en 1999 hoorde hij alleen in de nevengeul van Gameren en in de kribvakken bij de talrijkste vissen (Dorenbosch e.a. 2011).
Een trekvis. In het voorjaar trekt de winde vaak in grote scholen stroomopwaarts, naar kleine zijrivieren, beken of ondergelopen oevers (Kennisdocument winde). Daarbij legt hij soms meer dan 100 kilometer af (RAVON). Uit het IJsselmeer en omgeving trekken windes vaak massaal de IJssel en de Overijsselse Vecht op (Kennisdocument winde).
Van 2019 tot 2021 kregen 113 windes in de Overijsselse Vecht een kleine zender in de buik. Ontvangers langs het water registreerden waar ze zwommen (Swimway Vecht). Dat leverde verrassingen op:
- De eerste windes uit het IJsselmeer komen al aan het eind van de zomer bij de monding van de Vecht. Ze trekken stroomopwaarts als het water hoog staat, zelfs bij een hoge afvoer in december, maanden voor de paai. Meestal bereiken ze hun verste punt in maart, waarschijnlijk vlak bij hun paaiplaats. In 2019 gold dat voor 8 van de 10 windes en in 2020 voor 2 van de 3. In 2021 was het maar 1 op de 3. Hun aankomst daar lijkt samen te vallen met water dat warmer wordt dan 7 à 8 graden (Swimway Vecht).
- Eén winde zwom in 2020 en in 2021 van Den Oever naar de Vecht bij Hardenberg om te paaien. Dat is bijna 150 kilometer. Op de terugweg zwom hij in anderhalve dag van het Ketelmeer naar Den Oever, hemelsbreed zo'n 55 kilometer (Swimway Vecht).
- Een andere winde trekt elk jaar uit de Friese boezem, de kanalen en meren van Friesland, naar de Vecht. Hij paait bij de stuw van Vechterweerd en zwemt 's zomers in Friesland (Swimway Vecht).
- Zes windes bleven in het voorjaar van 2019 langer in de Regge, een zijrivier van de Vecht. Dat wijst op paaien. Vier van hen kwamen het jaar erna terug en zwommen weer naar de Regge. Drie deden dat ook het jaar daarna (Swimway Vecht).
- In maart 2019 passeerden 17 van de 21 windes de stuw van Vechterweerd bij hoogwater. De vispassage, de doorgang voor vissen langs de stuw, ligt dan onder water. Hij stroomt dan mee als een nevengeul. Ze deden er gemiddeld 14,5 minuten over. De vier windes die op een ander moment trokken, deden er gemiddeld 4,5 uur over (Swimway Vecht).
Ook in de Maas kregen windes een zender, vooral in het voorjaar van 2003. De meeste bleven in de buurt. Maar een mannetje en een vrouwtje zwommen in maart en april 2003 min of meer samen van Keizersveer naar het IJsselmeer. Ze gingen van de Maas via de Waal en de IJssel. Het vrouwtje zwom kort daarna in een paar dagen via precies dezelfde route terug. Eén winde zwom door de Haringvlietsluizen naar zee en is daarna niet meer gezien. Bij drie stuwen in de Maas, bij Linne, Sambeek en Lith, kwamen 40 windes tot vlak voor de stuw. Slechts 6 zwommen via de vistrap verder (IMARES 2006).
Waar zit de winde?
De winde houdt vooral van stromend water. Je vindt hem veel op de grote rivieren, en dus niet overal (Sportvisunie). Volgens de Sportvisunie is hij algemeen. Hij zit vooral in het IJsselmeer en de wateren eromheen, in de Biesbosch en het Haringvliet, en in de grote rivieren. Doordat hij is uitgezet, kan hij ook in afgesloten wateren zitten (Sportvisunie). Vliegvissers vinden hem in stromend water, op de Randmeren en op het IJsselmeer (Sportvisunie). Volwassen windes leven vooral in de hoofdstroom van de rustiger stromende benedenlopen van rivieren. Ook leven ze in de wateren die daarmee in verbinding staan (RAVON). De winde hoeft niet altijd in stromend water te leven. Volgens Wageningen Marine Research voelt hij zich ook thuis in langzaam stromende rivieren en meren. Hij moet dan wel naar stromend water kunnen trekken om te paaien (WMR 2024).
Waar vissers hem vangen. In de artikelen van de Sportvisunie over VISpas-wateren komt de winde vaak terug:
- De Waal bij Tiel. Achter de langsdammen vis je met een dobber die met de stroom meeloopt (Sportvisunie). Vanaf de kribben vang je windes met drijvende broodkorst (Sportvisunie).
- De IJssel bij Deventer. Met de feeder, en op zomeravonden met klein kunstaas (Sportvisunie).
- De Kromme Rijn bij Utrecht. Een smal riviertje met grote brasems en windes. Winde vang je hier vaak met brood (Sportvisunie).
- De Eem. Hier vind je dikke windes. In het voorjaar trekken ze vanuit het Eemmeer de rivier op (Sportvisunie).
- Het Reitdiep en de Zoutkamperril. Witvissers kennen ze om de grote brasems en windes. In het voorjaar trekt hier veel vis op vanuit het Lauwersmeer (Sportvisunie). Op het Lauwersmeer zelf maak je kans op je persoonlijke record winde (Sportvisunie).
- De Bernisse. Kenmerkend voor dit water zijn de talrijke windes (Sportvisunie).
- De Beneden-Mark. Naast blankvoorn en brasem maak je hier kans op flinke windes. Het water is heel geschikt voor de vaste stok (Sportvisunie).
- De Grensmaas. Op de rustigere stukken richting Maasbracht vang je soms windes (Sportvisunie).
- De Midden-Regge in Twente. Deze brede beek staat bekend om haar mooie windes (Sportvisunie).
Wil je weten of je ergens met de VISpas mag vissen? Kijk in de VISplanner.
Waar onderzoekers hem vinden. Rijkswaterstaat laat de vis in de grote wateren regelmatig onderzoeken. In de hoofdstroom van de rivieren hoort de winde daarbij bij de tien soorten die onderzoekers het vaakst vangen. Dat geldt voor bijna alle stukken van de Rijn, de Waal, de Nederrijn, de Lek, de Gelderse IJssel en de Maas. Alleen in de Grensmaas niet. Hij hoort ook bij de tien in onder meer het Hollandsch Diep, de Noordwaard in de Biesbosch, het Ketelmeer en het Eemmeer (WMR 2024). Volwassen windes vangen ze op de rivieren vooral in het open water van de hoofdstroom. Jonge windes vangen ze vooral langs de oevers en in de zijwateren (WMR 2022). Op het IJsselmeer vangen ze de winde vooral langs de zandoevers: zowel veel kleine als vrij veel grote. Maar de aantallen zijn daar de laatste jaren afgenomen (WMR 2024).
Winde vissen door het jaar
Verderop op deze pagina staat de grafiek met seizoenspatronen. Die laat per maand zien hoe vaak een gemelde vangst op mijnvismaat.nl een winde is, vergeleken met het jaargemiddelde.
Vroeg voorjaar. Al in maart kun je windes aan het wateroppervlak vangen. Brian Aarsman ving ze op de Waal bij Tiel met drijvende broodkorst. Het water was toen nog maar krap 6 graden (Sportvisunie). In het voorjaar trekken windes ook rivieren op om te paaien. Op de Eem komen ze dan vanuit het Eemmeer, samen met brasems en voorns (Sportvisunie). Op het Reitdiep en de Zoutkamperril trekt in het voorjaar veel vis op vanuit het Lauwersmeer (Sportvisunie). In de Maas paaien de meeste windes al in maart, dus vóór de gesloten tijd (IMARES 2006). Meer daarover lees je bij leefwijze en paai.
April en mei. Dan is de gesloten tijd: elke winde die je vangt, gaat meteen terug. Kunstaas en dood aas zijn dan op de meeste binnenwateren verboden. Met brood, maïs, maden en wormen mag je daar wel vissen. Lees meer bij de regels. Na de paai trekken windes weer stroomafwaarts om te eten, bijvoorbeeld naar ondergelopen uiterwaarden (Kennisdocument winde). Volgens Brian Aarsman wordt korstvissen in mei en juni nog beter, als de avonden langer en warmer zijn (Sportvisunie).
Zomer. Op warme, lange zomeravonden kun je op de IJssel grote windes verwachten op klein kunstaas. Draai het snel binnen, ook aan het wateroppervlak (Sportvisunie). Ook kunstaas dat op een insect lijkt, kan werken. Een klein drijvend kevertje werkt vooral op warme dagen (Sportvisunie).
Herfst en winter. In de herfst trekken windes naar de benedenloop van rivieren of naar meren. Daar overwinteren ze in scholen in diep water (Kennisdocument winde). Blankvoorns en windes zoeken in de winter ook vaak jachthavens op. Vraag wel altijd toestemming voordat je in een jachthaven vist (Sportvisunie). Sommige windes beginnen in de herfst en de winter al aan de trek naar hun paaiplaats. Lees meer over de trek van de winde.
Vistechnieken en materiaal
Een winde vang je op veel manieren: met de dobber, met de feeder, met brood aan het wateroppervlak, met de vliegenhengel en soms met klein kunstaas. Hieronder staan per manier de tips van de Sportvisunie.
Met de dobber. Vis voor winde het liefst zwevend op half water, dus niet op de bodem. Gebruik een lijn van 0,14 millimeter (14/00) en een haakje van maat 12 tot 16 (Sportvisunie). In stromend water kies je een bolle dobber van 1 tot 3 gram. Die ligt stabieler in de stroming en blijft beter op zijn plek (Sportvisunie).
In de Waal bij Tiel liggen langsdammen: dammen in de lengte van de rivier. Daarachter stroomt het water gelijkmatiger dan op de rivier zelf, en je hebt er geen last van de scheepvaart. De presentatoren van VIS TV vissen daar met lange matchhengels: dobberhengels met een molen. Ze gebruiken een stevige dobber die met de stroom meeloopt. Die manier heet trottend vissen. Het is vaak een heel goede manier om grote windes en blankvoorns te vangen (Sportvisunie).
Met de feeder. Een feederhengel is een werphengel met een voerkorf: een korfje met voer dat je mee ingooit. Wil je op de IJssel bij Deventer meer kans op grotere vis, zoals brasem, winde, barbeel en grote blankvoorns? Dan raadt de Sportvisunie de feeder aan. Kies daar een hengel van ongeveer 4 meter en een korf van minstens 150 tot 200 gram (Sportvisunie). Op het Lauwersmeer raadt de Sportvisunie een onderlijn van 0,16 millimeter aan, met een haak maat 12 of 14. Voor grotere windes neem je 0,18 millimeter en een haak maat 10. Doe daar maïs uit blik en gekookte hennep door het voer (Sportvisunie).
Aas. Winde vang je goed op maden en wormen, ook op een grote dauwpier: een flinke regenworm (Sportvisunie). Op de Eem werkt maïs uit blik (Sportvisunie). En brood, als vlok of als korst; zie hieronder. Op de Kromme Rijn pakken brasem en winde ook graag de boilies van karpervissers (Sportvisunie).
Met brood. Op de Kromme Rijn bij Utrecht vang je winde vaak met brood. Loop mee over het jaagpad, voer korsten en laat een drijvende korst of een langzaam zinkende broodvlok meedrijven (Sportvisunie). Een broodvlok is een stukje vers brood dat je om de haak drukt. Hij zinkt heel traag (Sportvisunie). Op het Valleikanaal dreven de gevoerde korsten met de stroming mee, tot de windes ze ontdekten. Grote kolken in het water verraadden waar de vissen zaten (Sportvisunie).
Gevoerde korsten en windes, van bovenaf gezienDrijvende korst vanaf een krib. Brian Aarsman vist op de Waal bij Tiel met drijvende broodkorst op winde. Hij staat op de kribben: de dammen van stenen die de rivier in steken. Zijn tips (Sportvisunie):
- Een lichte spinhengel van 2,40 of 2,70 meter met een molen maat 3000 is genoeg. Op de molen zit gevlochten lijn van 0,10 millimeter. Die drijft, en dat is handig bij korstvissen. Aan het eind zit een voorslag van 1 meter nylon van 0,20 millimeter, met een karperhaak maat 8 of 10. Volgens Brian is dat 'echt niet overdreven': kijk maar hoe groot de bek van een winde is.
- Voer de korsten aan de stroomopwaartse kant van de krib. Daar stroomt het water terug, het kribvak in: het stuk water tussen twee kribben. Zo blijven de korsten heen en weer langs de krib drijven. Aan de stroomafwaartse kant stromen ze vaak met de rivier mee, en dan zijn ze weg.
- Maak de korsten eerst even nat. Dan worden ze zwaarder en gooi je ze verder.
- Loop met de drijvende korsten mee. Zo kun je snel ingooien als je een vis ziet azen. Let op dat je schaduw de vissen niet laat schrikken.
- Azen er al een paar vissen? Wacht dan toch nog even met ingooien, zodat ze vertrouwen krijgen. Gooi je korst daarna een meter of twee achter de plek waar een vis een korst pakte.
- Vouw een stukje korst dubbel aan de haak. Of gebruik een baitband: een elastiekje dat het aas aan de haak houdt.
- Neem een klein onthaaktangetje mee. Soms slikt een winde de korst in één keer in.
Let wel op de vogels. Met de VISpas mag je niet zo vissen dat vogels je aas waarschijnlijk pakken. De uitleg bij de VISpas-voorwaarden noemt een voorbeeld: vissen met een drijvende broodkorst vlak bij een groep eenden (VISpas-voorwaarden, voorwaarde 6). Brian Aarsman loopt ook daarom met zijn korsten mee: zo houdt hij de meeuwen op afstand (Sportvisunie).
Met de vliegenhengel. Voor vliegvissers is de winde een echte sportvis. Je vangt hem op een nimf of op een droge vlieg (Sportvisunie). Een nimf zoals de goudkopnimf lijkt op een larve onder water. Een droge vlieg blijft op het water drijven (Sportvisunie). Op de grote rivieren kun je uitstekend vliegvissen op brasem en winde (Sportvisunie). Kunstvliegjes kleiner dan 2,5 centimeter mogen ook in april en mei, als ander kunstaas verboden is. Lees daarover bij de regels.
Met kunstaas. Op warme, lange zomeravonden kun je op de IJssel met klein kunstaas grote windes verwachten. Draai het snel binnen, ook aan het wateroppervlak (Sportvisunie). Wie op de Kromme Rijn met snelle plugjes, oppervlakteaas of kleine shads op roofblei vist, haakt geregeld ook een grote winde (Sportvisunie). Kunstaas dat op een insect lijkt, werkt ook. Een namaakhoornaar van 3,5 centimeter drijft met de stroom mee, als een insect dat in het water is gevallen. Vis hem stroomafwaarts, met weinig actie. De Salmo Bug is een klein drijvend kevertje dat op het water lijkt te spartelen. Hij werkt vooral op warme dagen. Voor beide noemt de Sportvisunie de winde, naast baars en roofblei (Sportvisunie). Let op: van 1 april tot eind mei is kunstaas op de meeste binnenwateren verboden. Lees daarover bij de regels.
Pas op voor schepen. Op de IJssel zorgen schepen voor flinke golven en een zuigende stroming, vooral in de kribvakken. Gebruik daar een sterke hengelsteun die je niet in de grond hoeft te steken (Sportvisunie).
Gesloten tijd en regels voor winde
Elk voorjaar is er een gesloten tijd voor de winde: van 1 april tot en met 31 mei (Uitvoeringsregeling visserij, artikel 5c). Op de meeste wateren mag je in die tijd wel vissen. Maar elke winde die je vangt, gaat meteen terug in hetzelfde water (Reglement minimummaten en gesloten tijden, artikel 2). Een minimummaat heeft de winde niet (Uitvoeringsregeling visserij, artikel 5b). Sommige sites, zoals die van RAVON, noemen nog een minimummaat van 30 centimeter (RAVON). Die staat niet in de huidige regels (Uitvoeringsregeling visserij, artikel 5b). In het overzicht hieronder zie je het hele jaar.
- 1 april – 31 mei Gesloten tijd: vangen en direct terugzetten Je mag vissen, maar op de meeste binnenwateren niet met kunstaas, een dood visje, stukjes vis of slachtproducten. Kunstvliegen tot en met 2,5 cm mogen wel, net als ander aas, zoals wormen of maden. Elke vis van deze soort die je vangt, gaat meteen terug.
- 1 juni – 31 maart nu Open De gewone regels gelden. Voor deze soort is er geen wettelijke minimummaat.
Om in binnenwater te vissen heb je meestal een schriftelijke toestemming nodig. Vaak is dat de VISpas: samen met de lijst van viswateren is dat je toestemming. De voorwaarden van de VISpas voegen eigen regels toe aan de wet (VISpas-voorwaarden).
Waarom duurt de gesloten tijd tot 31 mei?
Bij snoek, snoekbaars en baars loopt de gesloten tijd tot de laatste zaterdag van mei, behalve op het IJsselmeer. Dat komt door een uitzondering in de wet, en die geldt alleen voor die drie soorten (Uitvoeringsregeling visserij, artikel 61). Voor winde, barbeel en kopvoorn loopt de gesloten tijd door tot en met 31 mei (Sportvisunie). Vang je in de laatste dagen van mei een winde, dan gaat hij dus nog terug.
Mag je in april en mei op winde vissen?
Ja, op de meeste wateren. Maar elke winde die je vangt, gaat meteen terug in hetzelfde water (Reglement minimummaten en gesloten tijden, artikel 2). Hij mag dus ook niet even in een leefnet of emmer.
Op een paar wateren mag je van 1 april tot en met 31 mei helemaal niet met de hengel vissen. Het gaat om negen gebieden. Voorbeelden zijn De Deelen in Friesland, het Ilperveld, een groot deel van Waterland en een deel van de Nieuwkoopse plassen (Uitvoeringsregeling visserij, artikel 25 en bijlage 7). Ook de lijst van viswateren sluit sommige wateren in het voorjaar, zoals de Purmerlander Polder bij Purmerend (Gezamenlijke Lijst). Kijk dus altijd bij het water in de VISplanner.
Van 1 april tot de laatste zaterdag van mei gelden op de meeste binnenwateren ook regels voor je aas. Je mag dan niet vissen met kunstaas, een dood visje, een stukje vis of slachtproducten zoals vlees. Van al het kunstaas mogen alleen kunstvliegjes kleiner dan 2,5 centimeter (Gezamenlijke Lijst). Brood, maïs, maden en wormen staan niet in het verbod. Let wel op met kunstmaden en kunstmaïs: formeel zijn dat ook kunstaas. De Sportvisunie raadt daarom aan om in die tijd echt aas te gebruiken (Sportvisunie). In een deel van Zeeland geldt dit verbod niet, bijvoorbeeld in het Veerse Meer en het Grevelingenmeer. En op de Geul en haar zijbeken mag kunstaas wel (Reglement voor de binnenvisserij, artikel 6). De gesloten tijd voor de winde zelf geldt daar ook.
Let op: in de wet zelf loopt het verbod op deze aassoorten tot en met 31 mei (Reglement voor de binnenvisserij, artikel 6). De uitzondering vanaf de laatste zaterdag van mei noemt alleen snoek, snoekbaars en baars, en niet de winde (Uitvoeringsregeling visserij, artikel 61). De Sportvisunie schrijft dat je vanaf die zaterdag weer met alle aassoorten mag vissen (Sportvisunie). Vang je dan een winde, dan gaat hij tot en met 31 mei nog altijd terug. Wil je zeker zijn, vis dan pas vanaf 1 juni met kunstaas op winde.
Met de VISpas geldt van 1 april tot de laatste zaterdag van mei nog een regel. Je mag dan niet zo vissen dat je waarschijnlijk snoekbaars vangt. Als voorbeeld noemen de voorwaarden actief vissen met een dropshot of een jigkop met wormen. Witvissen met een worm die stil ligt, mag wel (VISpas-voorwaarden, voorwaarde 7).
Op het IJsselmeer, het Markermeer en het IJmeer duurt het verbod met de VISpas langer. Daar geldt het van 16 maart tot en met 30 juni. Dan mag je daar niet vissen met een dood visje, een stukje vis of kunstaas. Van al het kunstaas mogen daar alleen kunstvliegjes kleiner dan 2,5 centimeter (Gezamenlijke Lijst). De Oostvaardersdiepen bij Almere en Lelystad vallen onder dezelfde regels (Gezamenlijke Lijst).
Mag je winde meenemen?
Van 1 juni tot en met 31 maart wel. Er is geen minimummaat, dus volgens de wet mag een winde van elke lengte mee (Uitvoeringsregeling visserij, artikel 5b). Maar met de VISpas mag je een vis alleen om drie redenen houden. Je eet hem zelf op, je gebruikt hem als aasvis, of je bewaart hem een tijdje levend. Verkopen mag nooit. De VISpas-voorwaarden zeggen er zelf bij: het uitgangspunt is dat je een vis terugzet. Je mag in totaal hoogstens 15 vissen bij je hebben, waarvan hoogstens 5 groter dan 25 centimeter. Dat geldt voor alle soorten samen. Meer vissen mag je alleen een tijdje levend bewaren, volgens de regels voor het leefnet. Een vis om op te eten dood je meteen na de vangst met een flinke tik op de kop (VISpas-voorwaarden, voorwaarden 14 tot en met 18).
Op sommige wateren is vis meenemen helemaal verboden, of mag je minder meenemen. Dat staat bij het water in de lijst van viswateren (Gezamenlijke Lijst) en in de VISplanner. Of winde lekker is, lees je bij In Nederland.
Mag een winde in het leefnet?
Van 1 juni tot en met 31 maart wel, met de VISpas alleen tussen zonsopkomst en zonsondergang. Het leefnet moet van zacht, knooploos materiaal zijn, met mazen van hoogstens 6 millimeter. Het is minstens 2,5 meter lang, met een doorsnede van minstens 40 centimeter. Het ligt zo veel mogelijk horizontaal, en voor minstens driekwart onder water. Stroming en golven mogen de vis niet schaden, en een gewonde of zwakke vis gaat er niet in. Een levende vis van meer dan 30 centimeter mag je alleen in een leefnet, bewaarzak of sling bewaren. Een bewaarzak en een sling zijn zachte zakken voor grote vis. Daarna gaat de vis levend terug in hetzelfde water (VISpas-voorwaarden, voorwaarde 18). Laat de vis zo kort mogelijk in het leefnet (Sportvisunie). In april en mei mag een winde er niet in. Dat staat hierboven.
Gekleurde maden of wormen mag je met de VISpas niet eens bij je hebben (VISpas-voorwaarden, voorwaarde 8).
Waar mag je niet vissen?
Op een paar rivieren verbiedt de wet het vissen bij een stuw die in werking is. Dat zijn de Nederrijn, de Maas, de Lek en de Overijsselse Vecht. Je mag dan niet vissen binnen 75 meter stroomafwaarts van de stuw. Ook niet in een vispassage bij de stuw: een doorgang waardoor vissen langs de stuw kunnen zwemmen. En ook niet binnen 25 meter van de bovenste opening van die vispassage (Uitvoeringsregeling visserij, artikel 28c). Op een aantal andere wateren mag je niet vissen dicht bij een gemaal, stuw of sluis. Hoe ver je weg moet blijven, verschilt per water: van 10 tot wel 250 meter. Dat staat bij het water in de lijst van viswateren (Gezamenlijke Lijst).
Is de winde beschermd?
Nee. De winde staat niet in de lijst van beschermde vissoorten (Gezamenlijke Lijst), en ook niet in de Europese Habitatrichtlijn (Habitatrichtlijn). Die richtlijn bevat Europese regels om dieren, planten en hun leefgebieden te beschermen. Hoe het met de winde gaat, lees je bij In Nederland.
Winde onthaken en terugzetten
Van 1 april tot en met 31 mei moet elke winde terug. Ook de rest van het jaar is terugzetten met de VISpas het uitgangspunt (VISpas-voorwaarden). Doe dat zo (Sportvisunie):
- Raak de vis alleen aan met natte handen.
- Haal de haak er bij voorkeur uit terwijl de vis in het water ligt. Houd een onthaaktang of hakensteker bij de hand, en een schepnet.
- Kom niet aan de kieuwen en de ogen.
- Houd de vis zo kort mogelijk uit het water.
- Zit de haak diep? Knip de lijn dan zo dicht mogelijk bij de haak door. Zet de vis terug als je verwacht dat hij het overleeft.
- Zet de vis zo snel mogelijk voorzichtig terug in hetzelfde water. Houd hem zo nodig even vast, tot hij zelf wegzwemt.
Moet je de vis even neerleggen, bijvoorbeeld voor een foto? Leg hem dan op een onthaakmat: een dikke, zachte mat. Doe dat zeker op een oever met stenen of zand. Een kleinere vis kan best een minuut boven water blijven, maar moet daarna echt terug. Een grote vis houd je met twee handen vast: één hand onder de kop, de andere onder de buik of de staart (Sportvisunie).
Zet een vis alleen terug in het water waar je hem hebt gevangen. Vissen kunnen ziektes meenemen naar ander water (Sportvisunie).
De grootste winde ooit gevangen
Het Nederlands record winde is 61 centimeter. Tico Wezenberg ving hem in juli 2021, op brood. Het wereldrecord is een winde van 3,36 kilo, die Sonny Pettersson in 2001 in Zweden ving. De grootste lengte die we op een landenlijst vonden, is 66 centimeter: een Poolse winde uit 2018.
29 cm Een doorsnee winde: de middelste van ruim 2.200 windes vanaf 20 cm die bij visstandonderzoek zijn gemeten
61 cm Nederlands record (2021)
66 cm De grootste lengte op een landenlijst (Polen, 2018)
Nederlands record
61 cm
Tico Wezenberg ving deze winde op vrijdagmiddag 9 juli 2021 (Nederlandse recordlijst; Beet). Hij stond op zijn favoriete visplek in zijn dorp: 'een brede sloot met flink wat stroming'. Daar vangt hij meestal zijn grootste snoeken. De dag ervoor had hij er op een spinner een winde gevangen. Daarom ging hij terug met zijn spinhengel en wat brood om te voeren. Een grote winde at het brood gretig op. Binnen tien seconden pakte hij de korst aan Tico's haak (Beet). De lijst kijkt alleen naar lengte en rondt naar beneden af op hele centimeters (Sportvisunie).
Volgens Beet was het 'de eerste, officiële 60 plus winde' (Beet). Toch stonden er eerder twee langere windes op de recordlijst. Daarover lees je hieronder meer. De experts van de recordcommissie vonden unaniem dat het een zuivere winde was (Sportvisserij Nederland). Het record ervoor was 59 centimeter. Radosław Wieczorkiewicz ving die winde op 29 maart 2021 in de Weerijs, een riviertje in Breda (Beet). Daarvoor stond het record op 57 centimeter. Jamie Steer ving die winde in april 2017 op de Waal bij Zaltbommel (Beet).
Twee keer een korter record. Op de recordlijst stond eerst jarenlang een winde van 67 centimeter en 4,1 kilo uit het Hollands Diep. Joost Wenteler ving hem in 2009 (Beet). Daarna kwam een winde van 62 centimeter uit de buurt van Zwolle, gevangen door Dion de Vries in 2017. De recordcommissie noemde die 'gelukkig een zuivere winde' (Beet). Toch verdwenen beide vissen weer van de lijst. De winde van Jamie Steer ging 'met terugwerkende kracht (weer)' in de boeken (Beet). Waarom de twee langere vissen verdwenen, vonden we nergens.
Kruisingen. Bij elke recordclaim voor winde kijkt de recordcommissie extra kritisch. Er komen namelijk veel kruisingen met de roofblei voor, en die worden regelmatig langer dan 60 centimeter (Sportvisserij Nederland). Veel claims voor winde bleken na nadere bestudering zo'n kruising te zijn (Sportvisserij Nederland). In 2021 schreef Beet: 'Het afgelopen jaar hebben we diverse van zulk soort vissen van 60 tot en met 74 cm moeten afkeuren' (Beet).
Ook bij visstandonderzoek maten onderzoekers vijf windes die langer waren dan het record. De langste was 70 centimeter. Lees ook hoe groot een winde wordt. Of dat zuivere windes waren, weten we niet. De winde van 70 centimeter kwam in 2007 uit de Aa of Weerijs bij Breda. Uit hetzelfde riviertje kwam het record van 59 centimeter uit 2021.
Wereldrecord
3,36 kg
De IGFA, de internationale organisatie voor hengelrecords, houdt het wereldrecord bij. Sonny Pettersson ving de winde van 3,36 kilo op 24 juni 2001 bij Grangshammaran, bij Borlänge in Zweden. Voor de winde houdt IGFA alleen een record op gewicht bij, geen lengterecord.
Op landenlijsten staan veel zwaardere windes. De zwaarste die we vonden, is het Letse record: 5,50 kilo. V. Korotkovs ving hem in 1989 in het Lubānsmeer (LMSF). Het Duitse record woog 5,1 kilo. Mario Merkel ving die vis in oktober 2010 in een grindgat bij Gleidingen. Zijn aas was rode maïs uit blik met één korrel kunstmaïs. Daarna zette hij de vis terug (Fisch & Fang). Bij IGFA staan zulke vissen niet. Een vis komt alleen op de lijst van IGFA als hij daar is aangemeld en goedgekeurd.
In Groot-Brittannië delen drie vissen het record, van 3,77 kilo (8 lb 5 oz) elk (BRFC). Twee daarvan zijn goudwindes, de oranje kweekvorm, uit visvijvers (Lymm Angling; Anglers' Net). De derde kwam uit een rivier: de Hull (Angling Times). Ook bij het Deense record staat een foto van een goudwinde (Danske Fiskerekorder).
Grootste lengte op een landenlijst
66 cm
De grootste lengte die we op een landenlijst vonden, is 66 centimeter. Bartosz Skrzypczak ving die winde in 2018. Hij staat op de officiële Poolse lijst van het tijdschrift Wiadomości Wędkarskie (Wiadomości Wędkarskie). Dezelfde visser heeft ook het Poolse gewichtsrecord: 4,15 kilo, uit hetzelfde jaar. Of het om dezelfde vis gaat, staat er niet bij.
Nog in maart 2025 stond op die lijst een veel langere winde: 82 centimeter en 5,10 kilo. Jan Zbiegień ving hem in 1973 (Wiadomości Wędkarskie, maart 2025). Nu staat hij er niet meer op (Wiadomości Wędkarskie). Sinds 1 mei 2025 gelden voor die lijst nieuwe regels. In de medailletabellen van het tijdschrift staat hij nog wel als Pools record. Ook die tabellen gelden sinds die dag (Wiadomości Wędkarskie). Waarom hij van de lijst verdween, vonden we niet.
De Duitse recordvis was nog langer: 68 centimeter. Dat schreef Fisch & Fang, dat de Duitse lijst bijhoudt (Fisch & Fang). Maar op de lijst zelf staat alleen het gewicht (Fisch & Fang).
Bovenaan deze pagina staan 85 centimeter en 4 kilo als grootste lengte en gewicht. Die getallen komen van FishBase, een grote databank over vissen. De 85 centimeter komt uit een handboek uit 2007, en is gemeten zonder de staartvin. De 4 kilo komt uit een veldgids uit 1968 (FishBase). De records van Letland, Duitsland, Polen en Finland zijn zwaarder.
Op internet lees je soms dat een winde 1 meter lang en 8 kilo zwaar kan worden. Dat staat bijvoorbeeld op de Engelse Wikipedia, met een bron die we niet konden openen. Een met de hengel gevangen winde van die maat vonden we op geen enkele lijst.
Records per land
Elk land houdt een eigen lijst bij, met eigen regels. De ene lijst kijkt naar lengte, de andere naar gewicht. De getallen zijn dus niet altijd te vergelijken.
| Land | Record | Visser | Water | Datum | Lijst |
|---|---|---|---|---|---|
| Nederland | 61 cm | Tico Wezenberg | — | 9 jul 2021 | Sportvisunie |
| Denemarken | 3,75 kg | Peter Juul Hansen | een meer op Funen | 14 jun 2006 | Danske Fiskerekorder |
| Denemarken | 62 cm | Peter Juul Hansen | een meer op Funen | 14 jun 2006 | Danske Fiskerekorder |
| Duitsland | 5,10 kg | M. Merkel | grindgat Gleidingen | 2010 | Fisch & Fang |
| Finland | 4,136 kg · 60,6 cm | Markku Lampela | Kemijoki bij Kemijärvi | 17 aug 2015 | Ennätyskalarekisteri |
| Hongarije | 3,86 kg | Szentpéteri Tamás | Oostelijk Hoofdkanaal (Keleti-főcsatorna) | 6 mei 1995 | MOHOSZ |
| Letland | 5,50 kg | V. Korotkovs | Lubānsmeer | 1989 | LMSF |
| Noorwegen | 3,94 kg | Andreas Ånerud Johansen | Nes (Akershus) | 1 sep 2017 | Villmarksliv |
| Oostenrijk | 3,70 kg · 61 cm | Reinhold Lang | Donau (Opper-Oostenrijk) | 2001 | Rekordfische Österreich |
| Polen | 4,15 kg | Bartosz Skrzypczak | — | 2018 | Wiadomości Wędkarskie |
| Polen | 66 cm | Bartosz Skrzypczak | — | 2018 | Wiadomości Wędkarskie |
| Verenigd Koninkrijk | 3,77 kg (8 lb 5 oz) | Michael Wilkinson | Lymm Vale (Cheshire) | 2000 | BRFC |
| Verenigd Koninkrijk | 3,77 kg (8 lb 5 oz) | Lawrence King | Newdigate Farms (Surrey) | 20 mei 2018 | BRFC |
| Verenigd Koninkrijk | 3,77 kg (8 lb 5 oz) | Colin Hebb | rivier de Hull | 2021 | BRFC |
| Zweden | 3,96 kg · 59 cm | Andreas Attnarsson | Nättrabyån (Blekinge) | 29 mrt 2024 | Sportfiskarna |
Een streepje betekent dat de lijst het niet vermeldt. Gecontroleerd op 19 oktober 2026. Een record kan elk moment worden verbroken. Daarom controleren we deze lijsten minstens één keer per jaar.
In Nederland
Hoort de winde in Nederland thuis?
Ja. Volgens het Nederlands Soortenregister komt de winde hier van nature voor (Nederlands Soortenregister). In de jaren dertig van de vorige eeuw was hij heel talrijk in de Rijn en zijn zijtakken. In de Maas was hij minder algemeen (Kennisdocument winde). In het brakke water van de Zuiderzee vingen vissers vroeger flink wat windes. Na de aanleg van de Afsluitdijk daalde de vangst van winde op het IJsselmeer. In 1935 was die 6,7 ton, in 1940 nog 2 ton. Mogelijk kwam dat doordat de geleidelijke overgang van zoet naar zout water bij de monding van de IJssel verdween (Kennisdocument winde). Later ging de winde verder achteruit door de Deltawerken en doordat rivieren werden gekanaliseerd. Ze kregen stuwen en sluizen, vooral de Maas. De vele stuwen tussen de leefgebieden en de paaiplaatsen van de winde gelden als de belangrijkste oorzaak (Kennisdocument winde).
Kan een winde tegen zout water?
Een beetje. Een winde kan leven in brak water met tot ongeveer 15 gram zout per liter (Kennisdocument winde). In de Oostzee leven windes in brak water. Maar als er plotseling zouter water binnenstroomt, kunnen er veel sterven. Langs de oostkust van het Deense eiland Seeland gebeurt dat geregeld: dan sterven er duizenden (IUCN). In Nederland vangen onderzoekers soms zelfs windes in het Noordzeekanaal (WMR 2024).
Meer of minder winde?
Dat verschilt per water. In delen van het Rijnsysteem lijkt het de winde juist goed te gaan (WMR 2024). Maar langs de oevers van de Zandmaas en de Bedijkte Maas vangen onderzoekers hem de laatste jaren nauwelijks nog. Langs de oevers van de benedenloop van de Gelderse IJssel, het laatste deel van de rivier, was hij eerst een van de talrijkste vissen. Dat gold voor de eerste tien jaar van het onderzoek. Sinds 2012 vangen onderzoekers hem daar veel minder. En in het open water van het IJsselmeer en het Markermeer verdween hij uit de vangsten (WMR 2024). Langs de oevers van het IJsselmeer vangen onderzoekers hem nog wel. Lees daarover bij waar zit de winde.
Status. Op de eerste Rode Lijst van Nederlandse vissen, uit 1997, stond de winde (RAVON). De Nederlandse Rode Lijst is een lijst van bedreigde soorten. Op de huidige Rode Lijst, die sinds 2016 geldt, staat hij niet meer (Staatscourant). Hij geldt nu als niet bedreigd (Nederlands Soortenregister). Ook wereldwijd en in Europa geldt hij als niet bedreigd. De IUCN, een internationale organisatie voor natuurbescherming, zet hem in de categorie Least Concern (IUCN; IUCN). Of hij beschermd is, lees je bij de regels.
Wat is een goudwinde?
Een goudwinde is een oranjegele winde: dezelfde soort, maar gekweekt als siervis (Kennisdocument winde). Mensen kweken zulke kleurvormen al sinds de achttiende eeuw. Bedrijven in onder meer Nederland, België en Duitsland kweken ze nu voor vijvers en viswateren. Behalve goudwindes kweken ze ook blauwe windes (IUCN). Er zijn ook meldingen van goudwindes in het wild (NDFF Verspreidingsatlas). In Groot-Brittannië zijn twee van de drie vissen die het record delen goudwindes uit visvijvers. Lees daarover bij de records.
Goudwindes in een vijverRond 1989 bewaakten goudwindes zelfs het water van de Rijn. Bij het meetstation in Lobith zwommen ze in een bak waar steeds rivierwater doorheen stroomde. Vissen blijven in stromend water tegen de stroom in zwemmen. Lukte dat de goudwindes niet meer, dan kon dat wijzen op vervuild water (Botterweg 1989). Het apparaat gaf dan alarm en nam automatisch een watermonster (Kennisdocument winde).
Kun je winde eten?
Dat kan. Volgens het Kennisdocument winde is hij wat graterig, maar smaakt hij goed (Kennisdocument winde). Volgens FishBase is het vlees niet lekker (FishBase). In Nederland vangt de beroepsvisserij nauwelijks nog winde (IUCN). Het Voedingscentrum raadt af om regelmatig zelfgevangen zoetwatervis uit Nederlandse wateren te eten, zoals paling, baars en forel. Zulke vis kan schadelijke stoffen bevatten, zoals zware metalen, PCB's, dioxines of PFAS. Dat geldt vooral voor vette vis zoals paling en forel (Voedingscentrum). Volgens de Rijksoverheid krijg je dan te veel PFAS binnen (Rijksoverheid). De winde staat daar niet apart bij, maar het advies gaat over zelfgevangen zoetwatervis in het algemeen. Wat je met de VISpas mag meenemen, lees je bij de regels.
Wat onze modellen laten zien over Winde
Hieronder staat wat onze modellen in de data zien. Het zijn verbanden: waar het één voorkomt, komt het ander vaker voor. Dat is geen oorzaak. Elk model beantwoordt één vraag en mag niet meer zeggen dan het gemeten heeft. Het label bij de kop zegt welke vraag — en hoe zeker het antwoord is.
Waar deze soort leeft Sterk model
Roofblei (Aspius aspius)Het sterkste kenmerk van windewater is de roofblei. Ruim een vijfde van dit model hangt aan die ene vis. Op de pagina van de roofblei staat het omgekeerde: daar is de winde het sterkste kenmerk.
Twee vissen die elkaar aanwijzen. Dat komt doordat ze hetzelfde water delen. FishBase zet de winde in grote laaglandrivieren en voedselrijke meren, en de roofblei in het open water van grote en middelgrote laaglandrivieren.
De andere namen horen bij diezelfde riviergemeenschap: pos, snoekbaars, alver en grondels, met de zwartbekgrondel er apart bij. Ook veel organisch materiaal op de bodem hoort erbij. De zwartbekgrondel is een nieuwkomer die via de rivieren naar Nederland kwam.
Wat dit model niet zegt: wie wie opzoekt. Grotere windes eten vooral vis, dus een deel van die namen kan prooi zijn. Maar ze wonen ook gewoon in hetzelfde water. Die twee kunnen wij hier niet scheiden.