Herkenning
De rietvoorn is een van de mooiste witvissoorten in Nederland. De felrode vinnen en oranje tot goudkleurige ogen maken deze vis direct herkenbaar. Het lichaam is hoger en meer zijdelings samengedrukt dan dat van de blankvoorn, met een goudgroene glans op de flanken. Het belangrijkste verschil met de blankvoorn is de bovenstaande bek — de onderkaak steekt voorbij de bovenkaak, wat de voorkeur voor voedsel aan het oppervlak verraadt. De blankvoorn heeft juist een meer naar beneden gerichte bek. Daarnaast heeft de rietvoorn 39-42 schubben langs de zijlijn en duidelijk fellere, meer rode vinnen.
Gedrag & leefwijze
De rietvoorn is de specialist van het ondiepe, begroeide water. Waar de blankvoorn een generalist is die overal overleeft, kiest de rietvoorn nadrukkelijk voor wateren met dichte waterplantenbegroeiing. Met zijn bovenstaande bek foerageert hij bij voorkeur aan het oppervlak en in het middenwater: insecten die op het water vallen, drijvende plantendelen en algen.
De rietvoorn is meer plantaardig ingesteld dan de blankvoorn en eet naast insecten ook waterplanten en zachte plantenstengels. De paai vindt plaats van mei tot juni in dicht begroeid, ondiep water. Rietvoorn is het meest actief bij warm, kalm weer — op warme zomerochtenden kun je ze regelmatig aan het oppervlak zien foerageren tussen het riet en de waterlelies.
Vistechnieken
De rietvoorn vraagt om een lichte, fijne aanpak. De meest effectieve methoden:
- Oppervlaktevissen: Dé methode voor rietvoorn in de zomer. Broodvlok of een kleine droge vlieg op het oppervlak, tussen de waterplanten. Spannend en visueel.
- Licht dobbervissen: Een fijne waggler, ondiep ingesteld (halfwater tot net onder het oppervlak). Kleine haak (16-20) met een of twee maden of een caster.
- Aas: Maden en casters als basis. Broodvlok is selectief voor rietvoorn aan het oppervlak. Hennepzaad als voer werkt uitstekend. In het voorjaar zijn kleine rode wormpjes effectief.
- Vliegvissen: Met kleine droge vliegen of nimfen op licht vliegtuig. Een onderschatte methode die bijzonder effectief kan zijn op plantenrijke vijvers.
Vis altijd in de buurt van waterplanten: rietkragen, waterlelies en fonteinkruid. Gebruik een lichte hengel (3,30-3,90m) met fijne lijn (0,10-0,14mm).
In Nederland
De rietvoorn komt in heel Nederland voor, maar heeft een duidelijke voorkeur voor plantenrijke wateren. Vijvers, sloten, polderwateren en stadswateren met voldoende begroeiing zijn de typische rietvoornwateren. De soort is minder dominant in grote, open kanalen en rivieren waar de blankvoorn en brasem de overhand hebben. Er is geen gesloten tijd. Rietvoorn wordt kleiner dan blankvoorn en is minder talrijk, maar wordt door veel hengelaars juist gewaardeerd om zijn mooie verschijning en sportieve beet.
Wat onze modellen laten zien over Rietvoorn
Hieronder staat wat onze modellen in de data zien. Het zijn verbanden: waar het één voorkomt, komt het ander vaker voor. Dat is geen oorzaak. Elk model beantwoordt één vraag en mag niet meer zeggen dan het gemeten heeft. Het label bij de kop zegt welke vraag — en hoe zeker het antwoord is.
Waar er veel van zitten Groep, geen volgorde Zwak model
Watervorkje (Ricciaceae)Bij veel rietvoorn horen eencellige algen uit de families Heterocapsaceae en Phacidae, het kiezelwier Eunotia (Eunotiaceae), het groenwier waternet (Hydrodictyaceae) en goudalgen (Mallomonadaceae). Er staat ook een kever bij: het waterlelie-haantje (Chrysomelidae), dat op drijvende bladeren van waterlelies leeft.
Minder rietvoorn tellen we waar het drijvende levermos watervorkje (Ricciaceae) groeit. Ook waar glansmuggen (Ptychopteridae) en watermijten uit de familie Hydrachnidae zitten, en waar de blauwe breedscheenjuffer (Platycnemididae) vliegt. Die laatste libel hoort bij stromend water, en de rietvoorn niet.
Waar ze groot worden Zwak model
Gewone waternavel (Araliaceae)Bovenaan staan slibalgen (Cryptomonadaceae), bij kléinere rietvoorn. Daarna komen eencellige algen uit de familie Chrysochromulinaceae, de waterplant gewone waternavel (Araliaceae) en snuitkevers (Brachyceridae) — allemaal bij grótere vis.
Die snuitkevers zijn het bekijken waard. In onze data gaat het om twee soorten: de azollasnuitkever en de eendenkroossnuitkever. De azollasnuitkever leeft op grote kroosvaren, de eendenkroossnuitkever op eendenkroos. Het zijn dus dieren van een drijvend plantendek.
Samen met de waternavel, en met het waterlelie-haantje hierboven, wijzen ze allemaal naar hetzelfde soort water. FishBase noemt de rietvoorn dan ook een vis van voedselrijk, goed begroeid laaglandwater, die leeft van plankton, landinsecten en plantaardig materiaal. Of de rietvoorn die kevertjes ook opeet, weten wij niet — dat meten wij niet.
Bij kleinere rietvoorn horen verder langpootmuglarven (Pediciidae), de bittervoorn en het kiezelwier Eunotia. Ook de waterschorpioen, een waterwants (Nepidae), en de boom zwarte els (Betulaceae). Eunotia is opvallend: dat kiezelwier staat bij véél rietvoorn én bij kléinere rietvoorn. Veel en groot zijn hier dus niet hetzelfde water.