Herkenning
De steenbolk is een kleine kabeljauwachtige van 15 tot 25 cm (maximaal 46 cm) met een opvallend hoog, zijdelings samengedrukt lichaam — duidelijk dieper gebouwd dan kabeljauw of wijting. De kleur is koperachtig bruin tot goudbruin met vier tot vijf donkere dwarsbanden, vooral bij jongere vissen. Kenmerkend zijn de drie rugvinnen, twee aarsvinnen en een stevige kinbartel — langer dan die van de wijting. Een donkere vlek aan de basis van de borstvin is een goed herkenningspunt. De bek is relatief klein vergeleken met kabeljauw.
Gedrag & leefwijze
De steenbolk is een bodemvis die in scholen leeft rond harde structuren: wrakken, pieren, strandhoofden, havenhoofden en stortsteen. Hij voedt zich met garnalen, kleine krabben, borstelwormen en kleine vis. De soort is meer kustgebonden dan kabeljauw en wordt ook in kanalen en havens met zeeverbinding aangetroffen — overal waar hard substraat en stroming samen komen. Steenbolk trekt in de herfst naar ondieper kustwater. De soort paait van januari tot april in dieper water.
Vistechnieken
Steenbolk is een veelgevangen vis bij het zeevissen vanaf pieren, strandhoofden en havenhoofden. De meest effectieve methode is een paternoster met twee of drie haakjes (maat 6–10) voorzien van stukjes garnaal, zeepier of zager. Ook een eenvoudig bodemtuig werkt goed. Steenbolk is een gulzige eter die het aas zonder aarzeling pakt — vaak meerdere vissen per uitwerp. De beste perioden zijn de herfst en vroege winter (september–december). Een lichte zeehengel volstaat — steenbolk is geen zware vechter maar geeft leuk sport op licht materiaal.
In Nederland
De steenbolk komt voor langs de gehele Nederlandse kust en dringt verder kanalen en havens binnen dan de meeste andere kabeljauwachtigen. De soort is ecologisch belangrijk als prooi voor grotere vissen zoals kabeljauw en zeebaars. Voor hengelaars is steenbolk een betrouwbare vangst, vooral in de herfst — op veel pieren is hij de meest gevangen zeevis. De steenbolk staat niet onder bescherming en de populatie langs de Nederlandse kust is relatief stabiel.
Wat onze modellen laten zien over Steenbolk
Hieronder staat wat onze modellen in de data zien. Het zijn verbanden: waar het één voorkomt, komt het ander vaker voor. Dat is geen oorzaak. Elk model beantwoordt één vraag en mag niet meer zeggen dan het gemeten heeft. Het label bij de kop zegt welke vraag — en hoe zeker het antwoord is.
Waar deze soort leeft Groep, geen volgorde Sterk model
Dwergbolk (Trisopterus minutus)Dit model noemt geen winnaar: de namen liggen te dicht bij elkaar om er één bovenaan te zetten. Wat het wél laat zien, is het gezelschap.
Daar hoort de dwergbolk bij, een naaste familie van de steenbolk. Verder grondels en zandgrondels, de gewone garnaal (Crangonidae), de bot, de wijting, de tong, zeedonderpadden, de kabeljauw, de pitvis en de schol. Het is de hele kustploeg van de zuidelijke Noordzee bij elkaar.
FishBase zegt dat de steenbolk vooral op het buitenste deel van het plat leeft en voor de paai naar ondieper water trekt, en dat jonge vissen in grote scholen zwemmen.
Waar er veel van zitten Groep, geen volgorde Sterk model
Brokkelsterren (Ophiotrichidae)Bij veel steenbolk horen brokkelsterren (Ophiotrichidae), zeesterren (Asteriidae), zwemkrabben (Polybiidae) en diepte. Minder steenbolk tellen we bij de kamster (Astropectinidae), de kompaskwal (Pelagiidae), de zeemuis (Aphroditidae), de helmkrab (Corystidae) en de strandkrab (Carcinidae).
Die krabben zijn een raadsel. De steenbolk eet volgens FishBase vooral bodemkreeftachtigen, dus je zou verwachten dat krabben allemaal dezelfde kant op wijzen. Dat doen ze niet: de zwemkrab hoort bij méér steenbolk, de strandkrab en de helmkrab bij mínder. Voedsel verklaart dat dus niet. Waarschijnlijker markeren ze verschillende soorten bodem — maar dat is onze gedachte, niet onze meting.