Herkenning
De fint is een haringachtige van 25 tot 40 cm (tot maximaal 60 cm) met een zilverkleurig, zijdelings afgeplat lichaam. De rug is blauwgroen, de flanken zilverig met een rij van vier tot acht donkere vlekken achter het kieuwdeksel — dit vlekkenpatroon onderscheidt de fint van de gewone haring, die hooguit één vlek heeft. De buik heeft een scherpe kiel van gekielde schubben. De onderkant van de kaak steekt duidelijk uit voorbij de bovenkant. De schubben zijn groot en lossen makkelijk los bij aanraking.
Gedrag & leefwijze
De fint is een anadrome trekvis: hij leeft in zee en estuaria, maar trekt in het voorjaar de rivieren op om te paaien. De paai vindt plaats van mei tot juli in zoet of licht brak water, bij voorkeur op grind- en zandbodems in de getijdenzone van rivieren. Het paaien gebeurt 's nachts aan het wateroppervlak met veel gespetter. De fint voedt zich met plankton, kleine garnalen en vislarven. Jonge finten groeien op in estuaria en trekken in hun eerste of tweede jaar naar zee. Volwassen dieren keren jaarlijks terug naar de rivieren waar ze geboren zijn.
In Nederland
De fint is beschermd onder de Europese Habitatrichtlijn (Bijlage II en V) en staat op de Nederlandse Rode Lijst als kwetsbaar. Historisch was de fint een talrijke trekvis in de Nederlandse rivieren — in de 19e eeuw werden er duizenden per seizoen gevangen. Door watervervuiling, dammen en stuwen is de soort sterk achteruitgegaan. Dankzij schoner water en vispassages keert de fint langzaam terug in de Rijn, Maas en hun estuaria. De Haringvliet en de Westerschelde zijn belangrijke gebieden. De fint mag niet worden gevangen door sportvissers — bij accidentele vangst moet de vis onmiddellijk worden teruggezet.
Wat onze modellen laten zien over Fint
Hieronder staat wat onze modellen in de data zien. Het zijn verbanden: waar het één voorkomt, komt het ander vaker voor. Dat is geen oorzaak. Elk model beantwoordt één vraag en mag niet meer zeggen dan het gemeten heeft. Het label bij de kop zegt welke vraag — en hoe zeker het antwoord is.
Waar deze soort leeft Sterk model
Ansjovis (Engraulis encrasicolus)Deze lijst is bijna letterlijk het menu van de fint. Bovenaan zeenaalden (Syngnathidae), daarna grondels, meunen (Lotidae), de sprot, de ansjovis en de haring. Verderop de bot, dikkopjes, de vijfdradige meun, de gewone garnaal (Crangonidae), de kabeljauw en de horsmakreel.
FishBase omschrijft de fint als een viseter die kleine vis en kreeftachtigen eet, waarbij de jonge dieren het broed van haring, sprot en grondels nemen. Haring, sprot en grondels staan alle drie in dit model. Wij hebben dus niet zijn voedsel gemeten, maar wel het water waarin dat voedsel zit — en dat komt hier op hetzelfde neer.
Let op dat vijf dieren dubbel in de lijst staan, één keer als soort en één keer als familie: zeenaald, ansjovis, grondel, kabeljauw en horsmakreel. Het lijken meer namen dan het zijn. Ook de gemiddelde temperatuur en de luchtvochtigheid tellen mee.
Waar er veel van zitten Zwak model
Helmkrab (Corystidae)Dit model is zwak. Bij veel fint horen zwemkrabben (Polybiidae), zeesterren (Asteriidae), de gewone garnaal (Crangonidae) en tepelhoorns (Naticidae). Minder fint tellen we bij de helmkrab (Corystidae), zee-egels (Parechinidae) en slangsterren (Ophiuridae).
Eén detail is aardig: twee kwallen wijzen tegengesteld. De oorkwal (Ulmaridae) hoort bij méér fint, de haarkwal (Cyaneidae) bij mínder. Waarom, weten wij niet.