Ga naar inhoud

Roofblei

Aspius aspius

Cyprinidae Seizoen open

De roofblei is een snelle roofvis uit de karperfamilie. Je vangt hem vooral op de grote rivieren en in de plassen die daarmee in verbinding staan. Roofblei vissen doe je meestal met kunstaas, vaak vlak onder het wateroppervlak. Op deze pagina lees je hoe je een roofblei herkent en hoe hij verschilt van de winde en de kopvoorn. Je leest ook waar en wanneer je hem vangt, welke regels er gelden, en hoe groot hij kan worden.

Herkenning

De kop van een roofblei onder water, van opzij: de brede bek staat schuin omhoog en loopt door tot onder het oog, en de verdikte punt van de onderkaak valt in een kuiltje van de bovenkaakDe bek van een roofblei, van dichtbij

Een roofblei herken je het best aan zijn bek. Die is groot en staat schuin omhoog. De bek loopt door tot onder het oog. De punt van de onderkaak valt in een kuiltje van de bovenkaak (Sportvisunie). Karperachtigen die op hem lijken, zoals de winde en de alver, hebben een kleinere bek zonder dat kuiltje (RAVON).

Het lijf is lang en van opzij afgeplat, met zilveren flanken (RAVON). De rug is donkergrijs tot groen. De vinnen zijn groot en hoekig, en de staartvin is diep gevorkt (risicoanalyse exoten). De borst- en buikvinnen zijn grijs tot bruin, net als de aarsvin: de vin aan de onderkant, vlak voor de staart (FishBase). Ze kunnen ook roodachtig glanzen (Hessen-Forst). Over het midden van de flank loopt de zijlijn, een dunne lijn. Langs die lijn liggen 65 tot 74 kleine schubben (Sportvisunie). Omdat hij zo snel is, noemen vissers de roofblei ook wel de 'zilveren pijl' (Sportvisunie).

Waar komt de naam vandaan?

Blei is een oude naam voor een paar karperachtigen, zoals de kolblei. Ook de alver heette soms zo, en vaak een jonge brasem (Woordenboek der Nederlandsche Taal). En een roofvis is een vis die van dierlijk voedsel leeft, vooral van andere vissen (Woordenboek der Nederlandsche Taal). Wie de naam roofblei bedacht, vonden we niet. In het Duits heet hij Rapfen of Schied, in het Engels asp (FishBase). Wetenschappers noemden hem lang Aspius aspius. Sinds een onderzoek uit 2010 rekenen ze hem tot dezelfde groep als de winde, Leuciscus, en heet hij Leuciscus aspius (Perea e.a. 2010).

Hoe groot wordt een roofblei?

Een roofblei groeit snel. In Nederland is hij na één jaar gemiddeld 16 centimeter, na drie jaar 40 centimeter en na vijf jaar 58 centimeter. Vanaf het derde jaar groeit hij hier zelfs iets sneller dan in de delta van de Wolga (OVB). Hij kan meer dan tien jaar oud worden (IUCN).

Bij visstandonderzoek tellen en meten onderzoekers de vissen in een water. Zo hebben ze ruim 3.200 roofbleien gemeten. Van de ruim 1.500 roofbleien van 20 centimeter of langer was de middelste 42 centimeter. Ongeveer 3 op de 10 daarvan waren 60 centimeter of langer, en 17 haalden de 80 centimeter. De langste was 88 centimeter. Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier mat hem in 2021 bij visstandonderzoek in de polder Westerkogge, ten zuidwesten van Hoorn. Hoe groot de grootste roofbleien ooit waren, lees je bij de records.

Roofblei, winde of kopvoorn?

Een kopvoorn onder water, van opzij: een brede kop, grote schubben met een donkere rand en oranjerode vinnen aan de onderkantEen kopvoorn, om te vergelijken

Een jonge roofblei verwar je makkelijk met een jonge winde of alver. Het beste kenmerk is de grotere bek, met zijn typische onderkaak (Natura, 2006). Kijk dus eerst naar de bek. Daarna naar de schubben en de aarsvin.

  • Winde. De bek is kleiner en staat recht naar voren. Op de zijlijn liggen 56 tot 61 schubben, minder dan bij de roofblei (Sportvisunie). De aarsvin van de winde is wat korter (risicoanalyse exoten). Aan de vorm zie je weinig verschil. Bij de winde is de rand recht tot hol (RAVON), bij de roofblei hol, als een sikkel (Hessen-Forst).
  • Kopvoorn. De kop is breed en vrij plat. De aarsvin is bolrond, en op de zijlijn liggen maar 44 tot 46 schubben (Sportvisunie). Door de donkere randen van die grote schubben zie je een netpatroon op de flanken (RAVON).
  • Alver. Een kleine vis, meestal zo'n 15 centimeter, met een kleine bek die sterk omhoog staat. Bij een roofblei loopt de bek door tot onder het oog (RAVON).
  • Serpeling. De kleine bek zit net onder de punt van de snuit, en het oog is geelachtig (Sportvisunie).

Roofblei en winde kunnen samen jongen krijgen. Volgens vissers komen zulke kruisingen in Nederland geregeld voor (risicoanalyse exoten). Een kruising is lastiger te herkennen.

Leefwijze en paai

De roofblei is een van de weinige karperachtigen die vooral van vis leven (FishBase). Jonge roofbleien eten kleine waterdiertjes, zoals aasgarnaaltjes, vlokreeftjes en insectenlarven (RAVON). Vanaf 20 tot 30 centimeter eet de roofblei vooral kleine vis die dicht bij het wateroppervlak leeft (OVB). In de maag van een roofblei vinden onderzoekers vaak alver, blankvoorn en spiering (risicoanalyse exoten).

De roofblei jaagt op zicht, in open water (risicoanalyse exoten). Jonge roofbleien jagen in groepen, volwassen vissen in kleine groepjes of alleen (FishBase). Jonge roofbleien zijn zelf ook prooi. Baars, snoek en meerval eten ze, net als otters en aalscholvers. Een grote roofblei heeft bijna geen vijanden (risicoanalyse exoten).

De paai. De roofblei paait vroeg in het voorjaar, in maart en april: dan zetten de vissen hun eitjes af. Hij trekt dan stroomopwaarts naar stromend water met een bodem van grind, of naar plekken met waterplanten. Daarbij legt hij soms grote afstanden af (RAVON). In de Elbe zwom een roofblei 166 kilometer van zijn zomerplek naar zijn paaiplaats (Fredrich 2003). Een vrouwtje kan meer dan 100.000 eitjes leggen. Die zijn plakkerig en hechten zich aan de bodem (risicoanalyse exoten). Na één tot twee weken komen de eitjes uit. De larven drijven met de stroom mee naar rustig stromende delen van de rivier, zoals nevengeulen: geulen naast de rivier. Daar groeien ze op (RAVON). In 2009 telden onderzoekers langs de grote rivieren de jonge vis van dat voorjaar. De jonge roofbleien zaten in alle soorten water die met de rivier in verbinding staan. Het dichtst zaten ze in meestromende nevengeulen: geulen waar de rivier doorheen stroomt. Langs de rivieroevers zaten er meer waar het water helderder was (Dorenbosch e.a. 2011). In Nederland plant de roofblei zich onder meer voort in de Rijntakken, de Maas en zijbeken van de Mark (risicoanalyse exoten). De Rijntakken zijn de rivieren waarin de Rijn zich splitst, zoals de Waal en de IJssel. In kanalen stroomt het water meestal te weinig voor de paai (RAVON).

De prooi eet de eitjes. De alver is de belangrijkste prooi van de roofblei. Maar de alver eet op zijn beurt de eitjes van de roofblei. Na het afzetten drijven die eitjes minder dan een minuut door het water, tot ze aan de stenen plakken. In die tijd happen alvers ze weg. Tsjechische onderzoekers filmden dat onder water. Op de 40 centimeter die hun camera's in beeld hadden, ging gemiddeld een vijfde van de eitjes verloren (Šmejkal e.a. 2017). Later rekenden ze uit dat de roofblei 63 procent van zijn eitjes 's nachts legde. De alver was juist vooral overdag op de paaiplaats. De onderzoekers zien dat als een manier om de eitjes te beschermen (Šmejkal e.a. 2018).

Waar zit de roofblei?

De roofblei houdt van stromend water. Je vindt hem vooral op de grote rivieren, waar hij in de hogere waterlagen op kleine visjes jaagt (Sportvisunie). Eerst vingen vissers hem vooral in de grote rivieren. Via open verbindingen en sluizen heeft hij ook veel kanalen en rivierplassen bereikt: plassen naast de rivier die ermee in verbinding staan (Sportvisunie).

Op de rivier zoek je hem bij de kribben: de dammen van stenen die de rivier in steken. De roofblei zwemt vaak in of bij de stroomnaad bij de kop van een krib. De stroomnaad is de grens tussen snel en rustiger water. Daar jaagt hij op visjes die in de stroming de weg kwijt zijn (Sportvisunie). Ook bij brugpijlers zoek je hem in de stroomnaad (Sportvisunie). Voor roofvis op de rivier noemt de Sportvisunie ook nevengeulen, havens en de uitgangen van plassen. Daar zwemt prooivis in en uit (Sportvisunie).

In rivierplassen jaagt hij vooral waar jonge vis over ondiepe stukken trekt. Hij zwemt graag langs de rand van het talud, de helling onder water. Zo drijft hij de visjes naar het ondiepe water. Hij houdt van plekken waar de diepte plots verandert. En van dingen waarachter hij kan wachten: uitlopers onder water, kleine steigers, stortsteen, palen en overhangende bomen (Sportvisunie).

De ingang van een rivierplas lijkt de beste plek. Daar komen stroming, een diepe geul, ondiepe stukken, mosselbanken en trekkende aasvis samen. Maar daar vissen ook veel mensen, en dan is de roofblei extra op zijn hoede. Rustige baaitjes en doodlopende hoekjes achter in de plas zijn vaak minstens zo goed (Sportvisunie).

Voor een grote roofblei wijst de Sportvisunie naar de rivierplassen langs de Maas. Er zijn vier grote rivieren: de Gelderse IJssel, de Rijn, de Waal en de Maas. Van die vier biedt de Maas de beste omstandigheden om groot te worden. Er is vrij gelijkmatige stroming, helder water, veel rivierplassen en veel aasvis. Ook in de andere rivieren vang je grote roofbleien. Maar de kans op een vis van recordformaat is langs de Maas het grootst (Sportvisunie).

Waar onderzoekers hem vinden. Rijkswaterstaat laat de vis in de grote wateren regelmatig onderzoeken. In de Maas en in de Noordwaard in de Biesbosch hoort de roofblei bij de tien soorten die onderzoekers daar het vaakst vangen. Langs de oevers van het IJsselmeer ook, maar langs het Markermeer komt hij minder vaak voor (WMR 2024).

De roofblei kan ook tegen brak water: een mengsel van zoet en zout water. Normaal zwemt hij in de Nieuwe Waterweg niet verder dan Vlaardingen. Maar in de zomer van 2014 vingen hengelaars er een paar grote roofbleien voorbij de Maeslantkering. Het water bevatte daar, afhankelijk van het getij, 2,0 tot 14,5 gram zout per liter (RAVON).

Plekken met sterke stroming, zoals inlaten van water en vernauwingen, lonen vooral vlak na de opening van het kunstaasseizoen. Zie roofblei vissen door het jaar. Maar bij een stuw of een gemaal mag je lang niet altijd vissen; zie de regels.

Roofblei vissen door het jaar

Verderop op deze pagina staat de grafiek met seizoenspatronen. Die laat per maand zien hoe vaak een gemelde vangst op mijnvismaat.nl een roofblei is, vergeleken met het jaargemiddelde.

Voorjaar. In maart en april trekt de roofblei naar zijn paaiplaatsen in stromend water; zie leefwijze en paai. Juist eind maart vingen vissers grote roofbleien. Twee van de laatste drie Nederlandse records vielen in de laatste dagen van maart; zie de records. Van 1 april tot eind mei mag je op de meeste binnenwateren niet met kunstaas vissen; zie de regels.

Begin van de zomer. Mag je weer met kunstaas vissen? Dan lonen de eerste drie weken vooral de plekken met sterke stroming, zoals inlaten van water en vernauwingen. Vanaf half juni kan het lonen om de rust op te zoeken. Denk aan de kribvakken van de rivier en de ondiepe oevers van rivierplassen (Sportvisunie). Een kribvak is het stuk water tussen twee kribben.

Vanaf de stenen van een krib gezien spat het water op voorbij de kop van de krib: kleine zilveren visjes springen weg, en in het schuim is een stukje van de flank en de staart van een roofblei te zienEen roofblei slaat toe bij de kop van een krib

Zomer. Van het late voorjaar tot in het najaar jaagt de roofblei actief op prooivis. Opspattende visjes en harde klappen aan het wateroppervlak verraden waar hij jaagt. Zie je dat? Blijf dan niet op afstand kijken, maar ga snel op werpafstand staan. Roofbleien zwemmen vaak in kleine groepjes rond, en zo'n groepje jaagt vaak een paar minuten op dezelfde plek. De grootste vissen leven meestal meer alleen (Sportvisunie).

Nazomer en herfst. Vanaf augustus verzamelen scholen aasvis zich vaak langs bepaalde oevers, bijvoorbeeld onder overhangende bomen. Daar liggen vaak roofbleien op de loer, ook als je ze niet ziet jagen. De jonge prooivis groeit, en de roofblei wordt feller. In september en oktober vang je hem daarom ook met kunstaas dat duidelijk groter is dan de visjes waar hij op jaagt. Volgens de Sportvisunie is september een uitstekende maand voor roofblei op rivierplassen (Sportvisunie).

Winter. In de winter zoekt een deel van de roofbleien rustiger water op, zoals havens en oude rivierarmen. In een onderzoek in de Elbe deed ongeveer een kwart van de gevolgde roofbleien dat (Fredrich 2003).

Vistechnieken en materiaal

Acht kleine kunstaasjes op een platte grijze steen: een popper, een oppervlakteplug, een zinkende stickbait, een spinner, een spintail, een pilkertje, een ondiep lopende plug en een ratelplug, allemaal in zilver- en witvistintenKunstaas voor roofblei, van popper tot pilkertje

De hengel. Voor roofblei is een korte, lichte werphengel genoeg. De Sportvisunie noemt een hengel van 2,10 tot 2,30 meter, met een werpgewicht van 5 tot 30 gram. Ver werpen hoeft op een rivierplas meestal niet, en een langere hengel belast vooral je pols en onderarm. Daarbij past een kleine molen, maat 2500 of 3000, met dunne gevlochten lijn. Aan het eind zet je een voorslag: een stuk dikkere lijn dat je lijn beschermt tegen stenen en andere obstakels (Sportvisunie).

Het kunstaas. Begin met kunstaas dat aan het wateroppervlak loopt, ook als je geen jagende roofblei ziet. Dat levert vaak de meeste aanbeten op (Sportvisunie). Denk aan een popper, die plopt en spat, of een oppervlakteplug die je zigzaggend laat lopen: 'walk the dog' (Sportvisunie). Zwemt de roofblei alleen achter je kunstaas aan, of mis je hem? Neem dan een zinkende stickbait en haal die snel vlak onder het wateroppervlak binnen. Op de rivier zelf werken ook spinners en spintails. Met zacht kunstaas van rubber, zoals shads, mis je bij roofblei relatief veel aanbeten (Sportvisunie). Ondiep lopende pluggen tot 12 centimeter vangen roofblei ook, net als ratelpluggen die je snel en ondiep binnenhaalt (Sportvisunie). En een klein pilkertje van 7 gram gooi je met een gewone kunstaashengel tot 40 meter ver (Sportvisunie).

De maat. Een roofblei kan zich helemaal richten op één soort en één maat aasvis. Heb je niet het goede kunstaas aan je lijn, dan blijft een aanbeet uit, terwijl de vissen om je heen jagen. Neem daarom kunstaas mee van 3 tot 12 centimeter. Op heldere rivierplassen werkt slank kunstaas vaak het best (Sportvisunie). In de zomer pakt een roofblei ook kunstaas dat op een insect lijkt, zoals een kevertje dat aan het wateroppervlak spartelt. Dat werkt vooral op warme dagen (Sportvisunie).

Snel binnendraaien. De roofblei is een erg snelle vis die op zicht jaagt (Sportvisunie). Draai daarom sneller binnen dan je bij snoek of snoekbaars gewend bent, maar zo dat je kunstaas goed blijft lopen. Wissel het tempo af met een korte versnelling of een plotselinge stop. Juist zo'n onverwachte beweging kan een felle aanval uitlokken. Volgt er een harde aanbeet aan het oppervlak? Sla dan niet meteen aan, maar draai rustig door. De roofblei haakt zichzelf meestal beter dan wanneer je meteen fel aanslaat (Sportvisunie).

Rustig naderen. Een roofblei bijt woest, maar kan verrassend schuw zijn. Zeker in helder water waar veel mensen vissen. Loop daarom niet meteen het water in. Begin met werpen op een ruime hengellengte van de waterlijn, en vis eerst het water vlak voor de kant af (Sportvisunie).

Regels voor roofbleivissen

Voor de roofblei is er geen gesloten tijd en geen minimummaat. De wet noemt de roofblei in geen van beide lijsten (Uitvoeringsregeling visserij, artikel 5b en 5c). Een eigen gesloten tijd heeft hij dus niet. Maar in het voorjaar mag je op de meeste binnenwateren een tijd lang niet met kunstaas vissen. Dat raakt vooral wie met kunstaas op roofblei vist. En op een paar wateren mag je in april en mei helemaal niet vissen. Dat lees je hieronder bij april en mei.

Voor de meeste binnenwateren heb je de VISpas nodig. Samen met de lijst van viswateren is dat je vergunning. De voorwaarden van de VISpas voegen eigen regels toe aan de wet (VISpas-voorwaarden).

Mag je in april en mei op roofblei vissen?

Ja, op de meeste wateren, maar niet met kunstaas. Van 1 april tot de laatste zaterdag van mei mag je op de meeste binnenwateren niet met kunstaas vissen. Ook een dood visje, een stukje vis en slachtproducten zoals vlees zijn dan verboden. Van al het kunstaas mag je alleen kunstvliegjes kleiner dan 2,5 centimeter gebruiken. Met wormen en maden mag je wel vissen (Gezamenlijke Lijst). In een deel van Zeeland geldt het verbod niet, bijvoorbeeld in het Veerse Meer en het Grevelingenmeer. En op de Geul en haar zijbeken mag kunstaas wel (Reglement voor de binnenvisserij, artikel 6).

Op een paar wateren mag je van 1 april tot en met 31 mei helemaal niet met de hengel vissen. Het gaat om negen gebieden. Voorbeelden zijn De Deelen in Friesland, het Ilperveld, een groot deel van Waterland en een deel van de Nieuwkoopse plassen (Uitvoeringsregeling visserij, artikel 25 en bijlage 7). Ook de lijst van viswateren sluit sommige wateren in het voorjaar, zoals de Purmerlander Polder bij Purmerend (Gezamenlijke Lijst). Kijk dus altijd bij het water in de VISplanner.

Let op: in de wet zelf loopt dit verbod tot en met 31 mei (Reglement voor de binnenvisserij, artikel 6). De uitzondering vanaf de laatste zaterdag van mei noemt alleen snoek, snoekbaars en baars, en niet de roofblei (Uitvoeringsregeling visserij, artikel 61). De Sportvisunie schrijft dat je vanaf die zaterdag weer met alle aassoorten mag vissen (Sportvisunie). Ook haar roofbleitips voor het nieuwe seizoen gaan uit van die zaterdag (Sportvisunie). Wil je zeker zijn, vis dan pas vanaf 1 juni met kunstaas op roofblei.

Met de VISpas geldt van 1 april tot de laatste zaterdag van mei nog een regel. Je mag dan niet zo vissen dat je waarschijnlijk snoekbaars vangt. Bijvoorbeeld actief met een dropshot, of met wormen aan een jigkop: een haak met een loodkopje (VISpas-voorwaarden, voorwaarde 7).

Op het IJsselmeer, het Markermeer, het IJmeer en de Oostvaardersdiepen duurt het verbod met de VISpas langer. Daar loopt het van 16 maart tot en met 30 juni (Gezamenlijke Lijst).

Mag je roofblei meenemen?

Op de meeste wateren wel. Roofblei is geen vis die je met de VISpas altijd moet terugzetten, zoals karper en aal. Maar je mag een vis alleen houden om zelf op te eten, om als aasvis te gebruiken, of om hem een tijdje levend te bewaren. Verkopen mag nooit. De VISpas-voorwaarden zeggen er zelf bij: het uitgangspunt is dat je een vis terugzet. Met de VISpas mag je in totaal hoogstens 15 vissen bij je hebben, waarvan hoogstens 5 groter dan 25 centimeter. Dat geldt voor alle soorten samen. Wil je meer vissen een tijdje levend bewaren, bijvoorbeeld in een leefnet? Dat mag alleen volgens de regels van de VISpas. Een vis om op te eten dood je meteen na de vangst met een flinke tik op de kop (VISpas-voorwaarden, voorwaarden 14 tot en met 18).

Op sommige wateren is vis meenemen helemaal verboden. Dat geldt bijvoorbeeld voor de Grensmaas tussen de monding van de Geul en Stevensweert. Het staat bij het water in de lijst van viswateren (Gezamenlijke Lijst), en ook in de VISplanner. Of roofblei lekker is, lees je bij In Nederland.

Waar mag je niet vissen?

Op de Nederrijn, de Maas, de Lek en de Overijsselse Vecht verbiedt de wet het vissen bij een stuw, zolang die in werking is. Je mag dan niet vissen binnen 75 meter stroomafwaarts van de stuw. Ook niet in een vispassage bij de stuw: een doorgang waardoor vissen langs de stuw kunnen zwemmen. En ook niet binnen 25 meter van de bovenste opening van die vispassage (Uitvoeringsregeling visserij, artikel 28c). Op een aantal andere wateren mag je niet vissen dicht bij een gemaal, stuw of sluis. Hoe ver je weg moet blijven, verschilt per water: van 10 tot wel 250 meter. Dat staat bij het water in de lijst van viswateren (Gezamenlijke Lijst).

Vis je vanuit een bellyboat, een opblaasbare ring waarin je in het water zit? Dat mag niet op plekken waar de beroepsvaart er last van kan hebben. In de vaargeul van grote vaarroutes, zoals de Waal, mag het in elk geval niet. Op de Lek en de IJssel raadt de Sportvisunie aan om buiten de vaargeul te blijven (VISpas-voorwaarden, voorwaarde 12).

Is de roofblei beschermd?

Nee. In Nederland is de roofblei een exoot: een soort die hier door mensen terecht is gekomen. Hij is hier niet beschermd (RAVON). Hij staat wel in de Habitatrichtlijn: Europese regels die dieren, planten en hun leefgebieden beschermen. Hij staat daar in bijlage II en bijlage V (Habitatrichtlijn). Op sommige websites staat bijlage IV, maar dat klopt niet. Bijlage II gaat over beschermde gebieden. Een land wijst die aan voor soorten die er van nature thuishoren (Habitatrichtlijn, artikel 4). Zulke gebieden heten Natura 2000-gebieden. In Nederland hoeft geen enkel Natura 2000-gebied de roofblei te beschermen. Hij staat niet in de Nederlandse lijst van soorten uit de Habitatrichtlijn (Natura 2000). Bijlage V noemt soorten waarvoor een land regels voor de vangst kan maken. Voor zo'n soort heb je in Nederland een vergunning nodig als je vangt met middelen die niet kiezen wat ze vangen. Denk aan gif of explosieven (Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 11.48). Met de hengel vis je gewoon op roofblei, volgens de regels op deze pagina.

Roofblei onthaken en terugzetten

Twee handen houden een roofblei half onder water: de ene hand om de staartwortel, de andere vlak onder de buik; een schepnet met rubberen mazen ligt in het ondiepe waterZo houd je een grote roofblei vast: bij de staartwortel, met een hand onder de buik

Een roofblei jaagt fel en vecht hard. Dat vraagt om controle bij het landen en het onthaken. De Sportvisunie geeft deze tips (Sportvisunie):

  • Gebruik een ruim, ondiep schepnet van rubber.
  • Haal de haak er bij voorkeur uit terwijl de vis in het water ligt.
  • Pak een kleine roofblei achter de kop vast.
  • Pak een grote roofblei bij de staartwortel, het smalle stuk vlak voor de staart. Steun de buik met je andere hand.
  • Pak een roofblei nooit bij de kieuwen. Die zijn kwetsbaar en raken snel beschadigd.
  • Maak een foto snel. Wacht bij het terugzetten tot de vis zelf wegzwemt.

Voor elke roofvis geldt ook: leg hem nooit op een harde, droge ondergrond. Onthaak hem in het water, in het schepnet of op een natte onthaakmat. En houd een lange onthaaktang en een stevige kniptang bij de hand (Sportvisunie).

De grootste roofblei ooit gevangen

Het Nederlands record roofblei is 87 centimeter. Oscar Wissink ving hem in september 2018 op de IJssel. Het wereldrecord is een roofblei van 5,80 kilo. Luca Ronchi ving hem in 2023 in Italië. De langste roofblei die we op een landenlijst vonden, is 107 centimeter: een Oostenrijkse vis uit 1987.

42 cm Een doorsnee roofblei: de middelste van ruim 1.500 roofbleien vanaf 20 cm die bij visstandonderzoek zijn gemeten

87 cm Nederlands record (2018)

88 cm De langste van ruim 3.200 roofbleien die bij visstandonderzoek zijn gemeten

107 cm De langste die we op een landenlijst vonden (Oostenrijk, 1987)

Op schaal. De stippellijn ligt op 80 centimeter. Het wereldrecord staat er niet in: IGFA noemt van die vis alleen het gewicht. De records per land staan in de tabel hieronder.

Records per land

Elk land houdt een eigen lijst bij, met eigen regels. De ene lijst kijkt naar lengte, de andere naar gewicht. De getallen zijn dus niet altijd te vergelijken.

Land Record Visser Water Datum Lijst
Nederland 87 cm Oscar Wissink — 16 sep 2018 Sportvisunie
Duitsland 10,30 kg M. Petrasch Spree bij Köpenick (Berlijn) 1974 Fisch & Fang
Hongarije 8,11 kg Kővári János de Tisza bij Tiszalök 10 okt 2006 MOHOSZ
Letland 8,12 kg G. Kolosovs Daugava 2006 LMSF
Noorwegen 5,34 kg Eivind Thilesen Øyeren 31 aug 2008 Villmarksliv
Oostenrijk 8,76 kg · 90 cm Nebojsa Zdravkovic Neue Donau (Wenen) 2007 Rekordfische Österreich
Polen 8,49 kg Sylwester Głos — 2014 Wiadomości Wędkarskie
Polen 90 cm Rafał Wikluk — 2013 Wiadomości Wędkarskie
Zweden 8,03 kg · 90 cm Anna Tainio Mälaren (Stockholm) 15 aug 2013 Sportfiskarna
Zwitserland 5,80 kg · 87 cm Guy Bussinger Rijn 15 dec 2014 Petri-Heil

Een streepje betekent dat de lijst het niet vermeldt. Gecontroleerd op 18 oktober 2026. Een record kan elk moment worden verbroken. Daarom controleren we deze lijsten minstens één keer per jaar.

In Nederland

Is de roofblei een exoot?

Ja. De roofblei komt oorspronkelijk uit de Donau en haar zijrivieren, en uit Oost-Europa (Sportvisunie). De eerste roofblei in Nederland dook in 1984 op, in de Roer in Limburg. Het ging om vissen die in Duitsland waren uitgezet (RAVON). Ze waren bij een overstroming uit Duitse visvijvers ontsnapt (risicoanalyse exoten). Eind jaren zeventig werden ook in de Duitse Rijn roofbleien uitgezet. In de jaren negentig plantten ze zich daar voort. Vanuit de Duitse Rijn verspreidde de roofblei zich snel over de Rijntakken in Nederland. Het Main-Donaukanaal ging in 1992 open. Of dat kanaal ook hielp, is niet zeker (risicoanalyse exoten).

Niet iedereen vindt de roofblei een nieuwkomer in de Rijn. Een Duits rapport uit 2003 zegt juist dat hij daar van nature thuishoort. Het baseert zich op oude beschrijvingen van de vissen in de Rijn en de Main, de oudste uit 1787 (Schwevers & Adam). De IUCN is een internationale organisatie voor natuurbescherming. Ook zij zet Nederland in haar Europese Rode Lijst bij de landen waar de roofblei van nature voorkomt (IUCN). Een melding uit Nederland van vóór 1984 vonden we niet.

Van 1995 tot 2004 nam het aantal waarnemingen snel toe, ook in kanalen en kleinere rivieren. In 2014 zat de roofblei al in veel soorten water, ook in poldersloten en in afgesloten wateren. Waarschijnlijk hielpen de inlaten van polders daarbij, en mensen die vis (illegaal) uitzetten (risicoanalyse exoten). Volgens het Nederlands Soortenregister plant de roofblei zich hier al meer dan tien jaar zelf voort, en komt hij heel veel voor. Het register kent hem uit alle twaalf provincies (Nederlands Soortenregister). De langste roofblei uit visstandonderzoek kwam ook niet uit een rivier, maar uit een polder bij Hoorn. Zie hoe groot een roofblei wordt.

Is de roofblei schadelijk?

Daarover zijn de bronnen het niet eens. Het Nederlands Soortenregister noemt de roofblei invasief (Nederlands Soortenregister). Zo heten exoten die zich snel kunnen vermeerderen en schadelijk kunnen zijn voor soorten die hier van nature thuishoren (NVWA). Het register zegt er zelf bij dat dit het oordeel van een deskundige is, en geen officiële status (Nederlands Soortenregister). De onderzoeksorganisatie RAVON vond geen aanwijzingen dat hij de vissen schaadt die hier van nature thuishoren (RAVON). Een onderzoek naar de risico's van exoten uit 2014 gaf hem een matig risico. Het raadde aan hem in de gaten te houden (risicoanalyse exoten). Volgens onderzoekers van Wageningen Marine Research zijn er de laatste jaren meer snoekbaarzen, roofbleien en meervallen. Dat heeft mogelijk invloed op trekvissen, die al weinig in aantal zijn. Vooral als die rovers zich verzamelen bij stuwen en andere plekken waar trekvissen moeilijk langs kunnen (WMR 2024).

Meer of minder roofblei?

Volgens de Visatlas van Nederland (2022) zijn de exoten het sterkst toegenomen, en de roofblei is daar een van (RAVON en Sportvisserij Nederland). Maar langs de oevers van de Rijn vangen onderzoekers hem sinds 2011 nauwelijks nog (WMR 2021). Op de Waal vingen onderzoekers in de herfst van 2023 met een groot vast net in de stroming ruim 13.000 vissen. Daar zaten 90 roofbleien bij. Van de vissen die van stroming houden, vingen de onderzoekers alleen de sneep vaker (Sportvisunie).

Status. De roofblei staat niet op de Nederlandse Rode Lijst van vissen (Staatscourant). Op de Europese Rode Lijst van de IUCN is hij niet bedreigd (Least Concern) (IUCN). Of hij beschermd is, lees je bij de regels.

Kun je roofblei eten?

Dat kan. In Europa vangen mensen de roofblei als sportvis en als eetvis (IUCN). Hij is voedzaam, maar geen geliefde eetvis. In 2014 verwachtten onderzoekers in Nederland geen markt voor roofblei als eten (risicoanalyse exoten). Het Voedingscentrum raadt af om regelmatig zelfgevangen zoetwatervis uit Nederlandse wateren te eten, zoals paling, baars en forel (Voedingscentrum). Volgens de Rijksoverheid krijg je dan te veel PFAS binnen (Rijksoverheid). PFAS zijn stoffen die mensen hebben gemaakt, en ze kunnen schadelijk zijn voor mens en milieu (Rijksoverheid). De roofblei staat daar niet apart bij, maar het advies gaat over zelfgevangen zoetwatervis in het algemeen. Wat je met de VISpas mag meenemen, lees je bij de regels.

Data-inzichten

Wat onze modellen laten zien over Roofblei

Hoe je dit leest

Hieronder staat wat onze modellen in de data zien. Het zijn verbanden: waar het één voorkomt, komt het ander vaker voor. Dat is geen oorzaak. Elk model beantwoordt één vraag en mag niet meer zeggen dan het gemeten heeft. Het label bij de kop zegt welke vraag — en hoe zeker het antwoord is.

Waar deze soort leeft Sterk model

Winde (Leuciscus idus)Winde (Leuciscus idus)

Bovenaan staat de winde: bijna een kwart van dit model. Op de pagina van de winde staat de roofblei op diezelfde plek. De twee vissen wijzen elkaar aan.

Daarna komen pos, snoekbaars, grondels en alver. Die laatste naam is interessant, want de roofblei is een van de weinige karperachtigen die vis eet, en FishBase noemt daarbij juist de alver als belangrijkste prooi. Het model zet die prooi dus bij de kenmerken die roofbleiwater het duidelijkst onderscheiden.

Dat is geen bewijs dat de roofblei de alver hier opeet. Allebei zijn het vissen van open rivierwater, en dit model telt alleen wie waar samen voorkomt.

Verderop staan twee grondels die het duidelijkst bij roofbleiwater horen: de marmergrondel en de zwartbekgrondel. Allebei nieuwkomers die via de rivieren binnenkwamen. Ook Amerikaanse rivierkreeften (Cambaridae), karper en organisch materiaal op de bodem horen erbij.

Waar er veel van zitten Zwak model

Kokerjuffers (Phryganeidae)Kokerjuffers (Phryganeidae)

Bij meer roofblei horen kokerjuffers uit de families Ecnomidae en Phryganeidae. Ook motmuggen (Psychodidae), bloedzuigers uit de familie Erpobdellidae en eencellige algen uit de familie Chrysochromulinaceae.

Bij minder roofblei horen waterkevers uit de familie Hydrochidae, watervlooien uit de familie Sididae, langpootmuggen (Limoniidae) en bladhaantjes — kevers uit de familie Chrysomelidae. Dit model is zwak, dus lees het als een aanwijzing.

Beste visplekken

De beste visplekken, gekozen uit 401 plekken waar deze soort is geregistreerd.

Seizoenspatronen

Per maand: hoe vaak een gemelde vangst deze soort is, vergeleken met het jaargemiddelde van de soort (de stippellijn). We rekenen ten opzichte van alle vangsten in die maand, dus een drukke maand telt niet vanzelf als een beter seizoen.

jaargemiddelde gesloten tijd vissen mag, terugzetten verplicht

Bron: vangstmeldingen op mijnvismaat.nl (Sportvisunie), tot en met 30 september 2026.

Waar de modellen op letten

Upgrade om de belangrijkste voorspellers en statistische inzichten voor deze soort te zien.

Bekijk op kaart

Verwante soorten